Vergoeding inrichting alleen bij zelfstandige werkruimte

De vergoeding voor de inrichting van een werkruimte bij een werknemer thuis, kan niet belastingvrij worden verstrekt als die werkruimte niet voldoet aan het zelfstandigheidcriterium.
Een bv verstrekt in 2008 aan drie van haar werknemers een vergoeding van € 1.815 voor de inrichting van een werkruimte thuis. Na een ingesteld boekenonderzoek krijgt de bv een naheffingsaanslag loonbelasting 2008. De aanslag heeft voor een groot deel betrekking op de aan de werknemers verstrekte vergoedingen. Volgens de inspecteur kan op basis van de wettelijke regels alleen een vergoeding voor de inrichting van een werkruimte thuis worden verstrekt als sprake is van een werkruimte met een eigen opgang. De zaak komt voor Rechtbank Den Haag.
De bv is van mening dat de vergoedingen belastingvrij konden worden verstrekt omdat de criteria die gelden voor belastingvrije vergoeding van een werkruimte thuis niet gelden voor de inrichting van een dergelijke werkruimte. Volgens de rechtbank kunnen vergoedingen voor de kosten van de inrichting van een werkkamer in beginsel vrij worden vergoed met dien verstande dat in de Uitvoeringsregeling expliciet is opgenomen dat die vergoeding dan ten goede moet komen aan (de inrichting van) de werkruimte in de woning van de werknemer en dat die werkruimte naar verkeersopvatting een zelfstandig deel van de woning vormt (het zelfstandigheidcriterium). Vraag is of het zelfstandigheidcriterium ook geldt als alleen een vergoeding voor de inrichting van de werkkamer wordt verstrekt. Volgens de rechtbank is voor deze opvatting geen steun te vinden in de tekst van de bepaling in de Uitvoeringsregeling. Daar de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkruimten aan het zelfstandigheidcriterium voldoen, kunnen de vergoedingen niet belastingvrij worden verstrekt.
Bron: Rb. Den Haag 22-02-2013