Tijdsevenredige correctie privégebruik

Indien een onroerende zaak voor een deel zakelijk en een deel privé wordt gebruikt, dient de jaarlijkse correctie voor het privégebruik in het eerste jaar tijdsevenredig plaats te vinden. Volgens de Hoge Raad volgt dit uit de bepalingen van de BTW-richtlijn 2006.
Een ondernemer heeft per 3 augustus 2009 de beschikking gekregen over een pand dat hij zowel voor zakelijke (17,5%) als privédoeleinden (82,5%) is gaan gebruiken. Het pand wordt volledig tot het ondernemingsvermogen gerekend. De op het pand drukkende omzetbelasting ad € 66.987 heeft de ondernemer in 2008 en 2009 in aftrek gebracht. In zijn aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2009 heeft de ondernemer een correctie voor privégebruik opgenomen. Hij heeft het totale bedrag aan privégebruik voor 2009 tijdsevenredig verminderd overeenkomstig het werkelijke gebruik dat in 2009 van het pand is gemaakt. De inspecteur is echter van mening dat het privégebruik niet tijdsevenredig kan worden verminderd en dat moet worden uitgegaan van de jaarlijkse correctie van 10%. Volgens de ondernemer is echter het niet toestaan van een tijdsevenredige toerekening van de maatstaf van heffing naar het aantal maanden van privégebruik van de onroerende zaak in het eerste kalenderjaar in strijd met het doel en het systeem van BTW-richtlijn 2006. Hij stelt daarom sprongcassatie in nadat hij door de rechtbank in het ongelijk is gesteld. Volgens de Hoge Raad wordt het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de ondernemer op grond van de wet gelijkgesteld met het verrichten van een dienst. De omzetbelasting ter zake van die dienst wordt verschuldigd op de laatste dag van het kalenderjaar waarin deze dienst wordt verricht. Volgens de Uitvoeringsbeschikking wordt, ingeval van privégebruik van een onroerende zaak, gedurende de eerste tien kalenderjaren waarin het goed voor privédoeleinden wordt gebruikt, het bedrag van de voor een kalenderjaar in aanmerking te nemen kosten gedeeld door 10. De uitkomst van deze deling is de grondslag voor de berekening van de vergoeding voor het privégebruik in het desbetreffende kalenderjaar. Van de twaalf maanden van 2009 is het pand gedurende (afgerond) vijf maanden mede voor privédoeleinden gebruikt. Dit brengt mee dat van de aan 2009 toe te rekenen gemaakte uitgaven (10 % van 82,5% van € 352.563 (koopprijs pand)) 5/12 betrekking heeft op het privégebruik in 2009. De heffing van omzetbelasting ziet op de werkelijke met het privégebruik verband houdende kosten in een zeker tijdvak. Dit blijkt uit de uitleg van het betreffende artikel uit de Zesde Richtlijn die het Hof van Justitie in jurisprudentie heeft gegeven. Het voor de heffing wegens het privégebruik van een onroerende zaak in aanmerking nemen van een ‘afschrijvingsperiode’ van tien jaar is niet in strijd met BTW-richtlijn 2006. De uitleg van het betreffende artikel dat aan elk kalenderjaar waarin privégebruik plaatsvindt tien percent van de gemaakte uitgaven moet worden toegerekend, ongeacht de duur van dat gebruik in dat kalenderjaar is echter afwijkend van de bepalingen van de BTW-richtlijn.
HR 17-05-2013