Terugvorderen studiekosten in strijd met goed werkgeverschap

In de gegeven bedrijfsomstandigheden, waarbij het bedrijf in moeilijkheden verkeerde en ontslag al was aangekondigd, mocht volgens de kantonrechter de werkgever de werknemer niet houden aan het studiekostenbeding, ook al heeft de werknemer zelf de arbeidsovereenkomst opgezegd na het vinden van een andere baan.
Een werknemer was sinds 1 januari 2010 werkzaam in de functie van telemarketeer en adviseur bij de werkgever. In de arbeidsovereenkomst is het volgende studiekostenbeding opgenomen: ‘Werknemer is gehouden op verzoek van werkgever ook buiten werktijden her- en bijscholingscursussen te volgen, waarvan de kosten voor rekening van werkgever zullen zijn. Als werknemer uit zichzelf besluit om deze arbeidsovereenkomst op te zeggen zullen de totale kosten voor cursussen die werkgever voor werknemer betaald heeft verrekend worden met het laatst te betalen loon en vakantievergoeding.’
Omdat het bedrijf in moeilijkheden verkeert – in maart is de vergunning door de Autoriteit Financiële Markten ingetrokken – en de werknemer in april is aangekondigd dat er ontslag zal volgen, zegt de werknemer op 31 mei per 1 juni 2012 zijn dienstverband op. In zijn ontslagbrief schrijft hij dat hij door het dreigend ontslag ervoor heeft gekozen per 1 juni 2012 bij een andere werkgever te gaan werken.
Over de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst ontstaat vervolgens een geschil. De werknemer vordert betaling van achterstallig salaris en uitbetaling van opgebouwde, niet-genoten vakantiedagen. De werkgever stelt dat de werknemer bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst de opzegtermijn van één maand niet in acht heeft genomen en vordert daar in reconventie een bedrag aan schadevergoeding voor van € 1.345 netto. Tevens vordert de werkgever betaling van gemaakte studiekosten (€ 2.317) omdat de werknemer het initiatief tot beëindiging heeft genomen. De werknemer betwist dat er sprake is van een onregelmatige opzegging en schadeplichtigheid jegens de werkgever en stelt dat er sprake is geweest van wederzijdse instemming met betrekking tot de ontslagdatum.
De kantonrechter overweegt dat de werknemer op 31 mei 2012 aan de werkgever heeft verzocht om ontslag per 1 juni 2012 en dat hij in de betreffende brief heeft geschreven dat deze datum met wederzijdse toestemming is overeengekomen. In haar reactie rept de werkgever met geen woord over de ontslagdatum, noch heeft zij een bedrag aan schadevergoeding opgenomen in haar voorstel ter zake van de eindafrekening. De kantonrechter overweegt dat het dan niet aangaat om daar thans op terug te komen. Bovendien had de werkgever haar standpunt dat er geen sprake was van toestemming voor ontslag per 1 juni 2012, gezien de inhoud van de brief van werknemer van 31 mei 2012 nader dienen te onderbouwen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat werknemer de arbeidsovereenkomst niet onregelmatig heeft opgezegd.
De werknemer voert aan dat het bedrijf vanaf het intrekken van de AFM-vergunning geen bestaansrecht meer heeft. De werkgever stelt dat er nog wel werk was. De kantonrechter overweegt dat de situatie destijds in ieder geval wel is veranderd en dat voorts vaststaat dat de werkgever werknemer in april 2012 heeft aangezegd tot ontslag over te gaan en dat, zoals de werkgever naar voren heeft gebracht, het bedrijf thans stilligt. De kantonrechter is van oordeel dat deze omstandigheden met zich brengen dat het feit dat werknemer de overeenkomst per juni 2012 heeft opgezegd voor rekening en risico dient te komen voor de werkgever. Daargelaten dat het studiekostenbeding naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de vereisten voldoet, is het beroep van de werkgever op het studiekostenbeding in de gegeven omstandigheden in strijd met goedwerkgeverschap.
De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer toe. De werkgever moet aan een bedrag van € 4.407,40 betalen aan achterstallig salaris en vakantiedagen.
Bron: Kt. Groningen 25-04-2013