Stichtingsbestuurder aansprakelijk gesteld

Een voormalig bestuurder van een stichting, die weer het bestuur vormde van een bv, kan aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschulden van de bv.
Een voormalig bestuurder van een stichting wordt aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting van een bv. Uit het handelsregister bij de Kamer van Koophandel blijkt dat de voormalig bestuurder van 17 april 2009 tot en met 29 augustus 2012 bestuurder was van de stichting. De stichting is weer enig aandeelhouder en enig bestuurder van de bv. De ontvanger heeft in februari 2013 de bestuurder aansprakelijk gesteld voor door de bv niet betaalde naheffingsaanslagen loonheffing (tijdvakken mei 2011 tot en met september 2012) en omzetbelasting (tijdvakken juli 2011 tot en met augustus 2012).
Volgens het hof kan op grond van de Invorderingswet iedere bestuurder van een lichaam hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de loonbelasting en omzetbelasting die het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam verschuldigd is. Dit kan men voorkomen door een melding betalingsonmacht te doen en als het niet betalen van de belastingschuld niet aan de bestuurder te wijten is. De voormalig bestuurder werpt tegen dat de stichting bestuurder van de bv was en niet hij. Dit baat hem echter niet. Aangezien onomstotelijk vaststaat dat de voormalig bestuurder tussen 17 april 2009 tot en met 29 augustus 2012 bestuurder was van de stichting, is hij op basis van de wet voor die periode ook aan te merken als bestuurder van de bv. Daar voor de betreffende periodes geen melding van betalingsonmacht is gedaan, wordt vermoed dat de betaling van de belastingschuld aan de voormalig bestuurder te wijten is. Dat is slechts anders als hij aannemelijk kan maken dat de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is. Het feit dat de bestuurder heeft aangegeven dat hij door drukke werkzaamheden niet in staat was de betalingsonmacht te melden, is niet voldoende. Er moet dan ook worden uitgegaan van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Hof Den Haag 1-04-2014 (publicatiedatum uitspraak 2-10-2014)