Schriftelijke arbeidsovereenkomst niet vereist voor lage sectorpremie

Volgens Hof Den Bosch is de eis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor het toepassen van de lage sectorpremie onverbindend. Volgens het hof is het schriftelijkheidsvereiste in strijd is met de Wet financiering sociale verzekeringen en valt het niet binnen de grenzen van de in die wet neergelegde delegatiebevoegdheid.
Een ondernemer met een uitzendbureau voor het glastuinbouwbedrijf is met verschillende werknemers mondeling arbeidsovereenkomsten voor meer dan een jaar aangegaan. De ondernemer past de lage sectorpremiepercentages voor de Werkloosheidswet (WW) toe. Volgens de Belastingdienst ten onrechte.
In de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is vastgelegd dat de sectorpremies door het UWV worden vastgesteld op een percentage van het loon en dat deze percentages voor de verschillende sectoren en sectoronderdelen kunnen verschillen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld. Dit is ook gebeurd en daarbij is voor uitzendbedrijven geregeld dat een verlaagde sectorpremie geldt voor werknemers die blijkens een schriftelijke overeenkomst ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever.
Het hof geeft aan dat de wettekst een premiedifferentiatie naar sectoren en sectoronderdelen regelt en geen instructie bevat om bepaalde eisen niet of juist wel te stellen voor toepassing van een vastgestelde sectorale premie, dan wel anderszins aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Volgens het hof is het schriftelijkheidsvereiste in strijd is met de Wfsv. In de Wfsv is geregeld dat de premies voor de werknemersverzekeringen worden geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels. Voor de loonbelasting geldt een mondelinge arbeidsovereenkomst ook als een arbeidsovereenkomst.
Tot slot meent het hof dat het schriftelijkheidsvereiste niet binnen de grenzen van de in de Wfsv neergelegde delegatiebevoegdheid valt en dus jegens de ondernemer onverbindend is. Het hof stelt de ondernemer in het gelijk.
Tegen deze uitspraak is geen cassatie ingesteld. Het is op dit moment niet duidelijk of de Wfsv en bijbehorende besluit zodanig zullen worden aangepast dat de gestelde eisen alsnog zullen gaan gelden voor toepassing van de verlaagde premie.
Bron: Hof Den Bosch 27-06-2013