Remplaçant geen ondernemer

Volgens Rechtbank Gelderland konden de inkomsten van een orkestremplaçant niet aangemerkt worden als winst uit onderneming. Niet alleen was loonheffing ingehouden, ook uit de feiten en omstandigheden leidde de rechtbank af dat er werd gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst.
Een violiste, die onder meer voor verschillende orkesten als vervanger (remplaçant) optrad, had haar inkomsten daaruit in haar aangifte IB over 2010 en 2011 aangegeven als winst uit onderneming. In de aangiften claimde zij de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Naast haar werkzaamheden als remplaçant had de violiste in 2011 nog een zeer klein bedrag aan inkomsten uit werkzaamheden als lerares. De stichtingen waarvoor de violiste haar werkzaamheden verrichtte, hebben echter telkens loonheffing ingehouden. De inspecteur heeft die inkomsten daarom aangemerkt als loon uit dienstbetrekking en de ondernemersfaciliteiten gecorrigeerd. De onbelaste reiskostenvergoedingen en de overige inkomsten, alsmede de in aftrek gebrachte kosten zijn wel als winst uit onderneming geaccepteerd.
Volgens Rechtbank Gelderland brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met zich dat de violiste in dit geval aannemelijk moet maken dat er sprake is van het drijven van een onderneming. Volgens de rechter slaagt ze daar echter niet in. Uit het feit dat ze voor de werkzaamheden telkens arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd heeft gesloten en over de vergoedingen loonheffing wordt ingehouden, leidt de rechter af dat de schriftelijke overeenkomsten naar vorm en inhoud arbeidsovereenkomsten zijn en ook als zodanig werden uitgevoerd. Ook was op de remplaçantenwerkzaamheden de cao van toepassing; op de zitting heeft de vrouw bevestigd dat zij geen onderhandelingsruimte had over de hoogte van de vergoedingen. Ook acht de rechtbank van belang dat zij er bewust voor heeft gekozen om op deze wijze te contracteren met de stichtingen en geen facturen heeft gestuurd, zoals sommige van haar collega’s wel doen. Ook kon zij bij ziekte niet zelf voor vervanging zorgen en lag veelal bij de stichtingen het initiatief om haar op te roepen voor een invalbeurt. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat van ondernemersrisico geen sprake is.
Rb. Gelderland 24-05-2016