Rechtbank kent volgens het hof ten onrechte IMSV toe

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat de redelijke termijn voor het beslechten van een fiscale procedure eindigt als de inspecteur volledig tegemoet komt aan de bezwaren van de belanghebbende. Hof Amsterdam heeft daarom de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland vernietigd. De rechtbank had geoordeeld dat de redelijke termijn pas was geëindigd na de procedure bij de rechtbank.

Een man heeft voor het jaar 2014 digitaal aangifte laten doen door zijn gemachtigde. Na een onderzoek door de Belastingdienst bij het kantoor van de gemachtigde is gebleken dat er een grote kans is dat de door het kantoor ingediende aangiften onjuist zijn. De man heeft daarom ook een navorderingsaanslag gekregen. Het geclaimde bedrag voor levensonderhoud kinderen is te hoog. De Belastingdienst heeft de aangifte met € 500 gecorrigeerd. De man heeft met succes bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. De inspecteur heeft namelijk de aanslag opgelegd in strijd met het door de Belastingdienst gevoerde correctiebeleid. Omdat de man het niet eens is met de toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase, is de man in beroep gegaan. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schadevergoeding, omdat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank meent dat de redelijke termijn ingaat als de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en pas eindigt als in de procedure over het fiscale geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist. De inspecteur meent dat de redelijke termijn eindigt nadat hij uitspraak op bezwaar heeft gedaan en hij volledig aan de bezwaren van de man tegemoet is gekomen.
Het hof meent dat de spanning en frustratie over de afloop van zijn fiscale geschil voor de man is geëindigd toen de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Volgens het hof bestaat er dan vanaf dat moment ook geen recht meer op een IMSV. Voor zijn oordeel verwijst het hof nog naar het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2022.

Bron: Hof Amsterdam 06-10-2022 (gepubl. 26-10-2022), Hoge Raad 02-09-2022