Premieplicht volksverzekeringen Rijnvarenden

Omdat een in Nederland woonachtige binnenvaartmatroos met een Luxemburgse werkgever als rijnvarende werkzaam was op het schip van een in Nederland gevestigde onderneming, was hij volgens Hof Den Haag op basis van het Rijnvarendenverdrag niet in Luxemburg maar in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen.
Een in Nederland woonachtige binnenvaartmatroos is met ingang van 2 februari 2006 in loondienst bij een Luxemburgse vennootschap. In dat jaar heeft hij premies sociale zekerheid betaald in Luxemburg, waarvoor hij een E-106 verklaring in zijn bezit had, die is afgegeven op grond van Verordening (EEG) 1408/71. Het motortankschip waarop hij vaart is eigendom van een ondernemer, handelend onder een in Nederland gevestigde V.o.f.. Het schip wordt met een winstoogmerk ingezet in de Rijnvaart. In 2004 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat een Rijnvaartverklaring uitgereikt aan de V.o.f.
In geschil is of de matroos in 2006 in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen.
Op basis van zijn woonplaats en leeftijd is volgens het hof de binnenvaartmatroos van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. Het is aan hem om vervolgens te stellen en aannemelijk te maken dat hij niet in Nederland is verzekerd. Daar hij zijn arbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt, acht het hof het aannemelijk dat het schip is voorzien van een Rijnvaartcertificaat. Vervolgens oordeelt het hof dat dit leidt tot het van toepassing zijn van het Rijnvarendenverdrag om de sociale verzekeringsplicht te bepalen.
Het Rijnvarendenverdrag bepaalt dat de sociale zekerheidswetgeving van het land waar de zetel van de onderneming zich bevindt, aan boord waarvan de rijnvarende arbeid verricht, van toepassing is. Het hof neemt het oordeel van de rechtbank over dat de V.o.f. moet worden aangemerkt als de exploitant van het schip, doordat het aannemelijk wordt geacht dat de vrachtopbrengsten toekomen aan de V.o.f. De matroos valt dus onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving.
Zijn stelling dat de inspecteur in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel of zorgvuldigheidsbeginsel, wijst het hof af. De uitvoering van de volksverzekeringen is niet mede opgedragen aan de Belastingdienst. Geen rechtsregel of rechtsbeginsel, dus ook niet het gelijkheidsbeginsel, verplicht de inspecteur om een ongelijke behandeling tussen rechtens mogelijk gelijke gevallen die door het handelen van de Sociale Verzekeringsbank is ontstaan, weg te nemen.
Bron: Hof Den Haag 31-07-2013