Partnerschap voor één dag kan niet

Hof Arnhem oordeelde in 2011 dat een kortdurend partnerschap van een dag voldoende is om de vrijstelling van overdrachtbelasting toe te passen vanwege de verdeling van een gemeenschap. De Hoge Raad is het hier niet mee eens.
Een belastingplichtige bezit de helft van de economische eigendom van zes onroerende zaken, de andere helft van de economische eigendom en de juridische eigendom van die zes onroerende zaken zijn in handen van een andere eigenaar. Samen met die andere eigenaar is de belastingplichtige ieder voor de helft (juridisch en economisch) eigenaar van nog vier onroerende zaken. De belastingplichtige gaat op 23 december 2003 met de andere eigenaar van de onroerende zaken een geregistreerd partnerschap aan onder voorwaarde van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, met uitzondering van de tien onroerende zaken. Dit geregistreerd partnerschap is op 24 december 2003 ontbonden. Op 29 december 2003 hebben de partners de tot de gemeenschap van goederen behorende onroerende zaken verdeeld. De belastingplichtige heeft de eigendom van de eerste zes onroerende zaken toebedeeld gekregen en de andere eigenaar de eigendom van de overige vier panden. Voor de heffing van overdrachtsbelasting wordt een beroep gedaan op de vrijstelling vanwege de verdeling van een gemeenschap die onder algemene titel is verkregen. De enige reden voor het aangaan van het partnerschap was het verijdelen van overdrachtsbelasting. Volgens Hof Arnhem blijkt uit de parlementaire geschiedenis bij het opnemen van de bepalingen inzake geregistreerd partnerschap, dat de staatsecretaris is gewezen op de mogelijkheden dat het partnerschap ook uit louter financiële motieven kan worden aangegaan om bijvoorbeeld overdrachtsbelasting te ontgaan. Door bewust geen maatregelen hiertegen te treffen heeft de wetgever het risico aanvaard dat overdrachtsbelasting kon worden ontgaan. Er kan dan geen beroep op het leerstuk van wetsontduiking worden gedaan. Volgens de Hoge Raad is dit oordeel onjuist. De vrijstelling is volgens ons hoogste rechtscollege bedoeld voor verkrijgingen van onroerende zaken krachtens verdeling van een gemeenschap van goederen die is ontstaan door een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. De regeling is niet bedoeld om, aan degene die een onroerende zaak gaat verkrijgen, de mogelijkheid te bieden de ter zake van die verkrijging verschuldigde overdrachtsbelasting naar believen te verijdelen. Doel en strekking van de wet verzetten zich tegen een geval als dit waarin een geregistreerd partnerschap voor een zo korte periode wordt aangegaan dat de door de wet aan dit partnerschap verbonden plichten geen reële praktische betekenis kunnen hebben. Er is sprake van wetsontduiking. De vrijstelling is niet van toepassing.
HR 15-03-2013, nr. 11/05609 (LJN: BY0548)