Onvoldoende onderzoek naar omzetfraude

Doordat de inspecteur alleen is uitgegaan van de administratie die bekend is bij het Super de Boer-concern en de administratie van de franchisenemer zelf op geen enkele wijze heeft gecontroleerd, zijn de navorderingsaanslag IB en de naheffingsaanslag btw ten onrechte opgelegd.
Een franchisenemer van het voormalige Super de Boer-concern heeft in november 2012 een navorderingsaanslag IB 2007 en in oktober 2012 een naheffingsaanslag btw 2007 ontvangen. In juni 2010 ontvangt de franchisenemer een brief van de Belastingdienst en de FIOD waar uit blijkt dat hij verdacht wordt van het verzwijgen van omzet en winst. Hij wordt uitgenodigd de verzwegen omzet en winst alsnog te melden. De franchisenemer reageert niet op deze oproep. In oktober 2012 laat de inspecteur aan de franchisenemer weten dat hij ter behoud van rechten voor 31 december 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting zal opleggen. Vervolgens tekent de adviseur van de franchisenemer bezwaar aan tegen de aanslagen en verzoekt de inspecteur om een hoorgesprek en om inzage van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit hoorgesprek komt er niet.
Uiteindelijk komt de zaak voor de rechtbank. Daar betoogt de adviseur dat de inspecteur niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de franchisenemer omzet heeft verzwegen door middel van negatieve omzetaanslagen op de kassa. Uit de stukken komt ook niet onomstotelijk vast te staan dat de gestelde verdachte retourboekingen aan de franchisenemer zijn te linken. Verder blijkt nergens uit dat de retourboekingen in de zak van de franchisenemer zijn verdwenen. De rechter is het hier mee eens. De inspecteur heeft namelijk aangegeven dat hij niet heeft gecontroleerd of de aangebrachte omzetcorrecties in de aangiften IB 2007 en omzetbelasting over 2007 waren verantwoord. Ook is niet gecontroleerd of de administratie van de franchisegever (waar de inspecteur zich op baseert) overeenkomt met de administratie van de franchisenemer. Omdat de inspecteur alleen uit is gegaan van de administratie van de franchisegever en geen controles heeft toegepast, vindt de rechtbank dat de navorderings- en de naheffingsaanslag ten onrechte zijn opgelegd.
Omdat de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld, is de rechtbank van mening dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat wordt afgeweken van de forfaitaire vergoeding. De inspecteur moet dan ook de integrale proceskosten van de franchisenemer vergoeden.
Bron: Rb. Noord-Nederland 15-10-2013