Non-activiteitsregeling terecht aangemerkt als RVU

Volgens de Hoge Raad werd een non-activiteitsregeling van de provincie Zeeland terecht aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding (RVU), nu de regeling alleen openstond voor werknemers van 57 jaar en ouder.
In het kader van een bezuinigingsoperatie kunnen ambtenaren van de provincie Zeeland van 57 jaar en ouder vanaf 2013 gebruik maken van een non-activiteitsregeling. Zij behouden hun dienstverband maar krijgen non-activiteitsverlof tot het moment waarop zij de AOW-leeftijd bereiken. Werknemers zijn niet verplicht om van de regeling gebruik te maken. Gedeputeerde Staten was genoodzaakt om de regeling in te voeren, omdat er geen reëel ander instrument dan vrijwillige uitstroom voldoende zou bijdragen om het personeel te reduceren. Rechtbank Zeeland-West-Brabant had de non-activiteitsregeling aangemerkt als RVU in de zin van de Wet LB 1964. Doel en intentie van de regeling doen hier niet aan af.
De Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling of er sprake is van een RVU, de beweegredenen van de werkgever niet van belang zijn. Het gaat erom of de uitkeringen bedoeld zijn ter overbrugging van het inkomen tot aan de pensioendatum. Het beroep van de Provincie Zeeland op het standpunt van de staatssecretaris van Financiën in het besluit van 8 december 2005 faalt eveneens. Volgens de provincie staat bij de kwalitatieve benadering uit dit besluit voorop de vraag wat het doel en de intentie waren om de uitkeringen toe te kennen, en niet de (latere) uitwerking. De Hoge Raad oordeelt dat volgens het besluit art. 32ba Wet LB 1964 niet wordt toegepast in geval van een reorganisatie om het personeelsbestand te verminderen, waarbij niet de intentie bestaat om (alleen) ouderen te ontslaan. In deze casus is dit wel het geval. Alleen ouderen van 57 jaar of ouder komen voor de non-activiteitsregeling in aanmerking. Het besluit biedt geen steun aan de opvatting dat de mogelijkheid bestaat dat ook deze non-activiteitsregeling niet wordt aangemerkt als RVU door het doel en de intentie die aan de regeling ten grondslag liggen. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Bron: HR 13-05-2016