Niet aantoonbaar uit Nederland vertrokken

Als een werknemer niet kan aantonen dat hij daadwerkelijk Nederland heeft verlaten om voor een buitenlandse werkgever te werken, mag Nederland over het buitenlandse inkomen heffen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet als de eerder in het buitenland verrichtte werkzaamheden weliswaar hetzelfde zijn maar de situatie van de werkgevers verschilt.
Een Nederlandse butler werkt vanaf 14 september 2017 op basis van een vierjarige overeenkomst voor een sjeik uit Qatar als reizende butler. Volgens deze overeenkomst is hierop het recht van Engeland en Wales van toepassing. In de drie maanden voor zijn aanstelling voor vier jaar heeft de butler op basis van een tijdelijk contract voor dezelfde sjeik gewerkt. Uit het BRP blijkt dat de butler in de periode 13 februari 2013 tot het moment van de rechtszaak gedurende twee periodes in het buitenland ingeschreven heeft gestaan. Van 10 augustus 2016 tot 22 januari 2017 en van 14 juli 2017 tot 3 april 2018 stond hij ingeschreven in het Verenigd Koninkrijk (VK). Hij bezit op 1 januari 2017 een Nederlandse bankrekening waarop zijn loon door de sjeik wordt gestort. Ook heeft hij tot 1 juni 2017 een eigen woning in Nederland. Omdat de butler ondanks diverse aanmaningen geen aangifte IB 2017 indient, legt de inspecteur een ambtshalve aanslag IB 2017 op.
Voor de rechtbank geeft de butler aan dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Hij heeft in de periode januari tot juli 2017 voornamelijk van spaargeld geleefd. Het inkomen uit dienstbetrekking valt buiten de Nederlandse belastingheffing omdat hij vanaf juli 2017 geen inwoner van Nederland was. De butler geeft aan dat hij met de sjeik de hele wereld over reisde. De sjeik woonde op basis van een studentenvisum in Engeland. Hij wilde echter niet als inwoner van het Verenigd Koninkrijk worden aangemerkt vanwege het fiscale klimaat. Mede daarom werd er veel gereisd en heeft de sjeik nooit langer dan 60 dagen achtereen ergens verblijf gehad. Ook werd er bijvoorbeeld een maand op een jacht in internationale wateren doorgebracht. De butler is niet meer dan 30 dagen in Qatar geweest in de periode dat hij voor de sjeik werkzaam was. Volgens de rechtbank heeft de butler niet met stukken aangetoond dat hij vanaf juli 2017 geen inwoner meer was van Nederland. Ook blijkt nergens uit dat Nederland, op grond van de belastingverdragen met Qatar en het VK, geen heffingsrecht over het inkomen toekomt. De inspecteur heeft de aanslag IB 2017 dan ook niet te hoog vastgesteld.
Het beroep van de butler op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De man geeft aan hij het inkomen dat hij in 2016 in Groot Brittannië heeft verdiend (voor dezelfde werkzaamheden maar bij een in het VK gevestigde werkgever) niet heeft aangegeven in zijn aangifte IB 2016. Hieraan heeft de butler het vertrouwen ontleent dat zijn buitenlandse inkomen in 2017 ook niet in de Nederlandse belastingheffing zou worden betrokken. Volgens de rechtbank heeft de butler deze stelling niet onderbouwd. Ook gaat het vertrouwensbeginsel niet op omdat dat er in 2016 en 2017 sprake was van twee verschillende werkgevers, waarvan de een wel in het VK gevestigd was en de andere niet. Daarmee is er geen sprake van gelijke gevallen.
Bron: Rb. Noord Nederland 02-11-2021