Leningen aan piramidespel niet ten laste van resultaat

Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat een tandartsenechtpaar de leningen aan een piramidespel niet ten last van hun maatschap konden brengen. Ook als de middelen daadwerkelijk uit hun onderneming afkomstig zouden zijn, waren de middelen zodanig belegd dat niet redelijkerwijze kon worden aangenomen dat deze weer tijdig in de onderneming beschikbaar zouden zijn.
Het echtpaar in kwestie drijft in een maatschap een tandartsenpraktijk. In 2004 heeft het echtpaar geld, afkomstig van hun privéspaarrekening, uitgeleend aan een ‘zakenrelatie’. Hiervan zijn schuldbekentenissen opgemaakt. In totaal gaat het om een bedrag van € 190.000. Naar aanleiding van vragen van de inspecteur heeft het echtpaar verklaard dat het geld niet vanuit de onderneming is uitgeleend en dat de leningen niet zijn overgedragen aan de onderneming. In 2005 is bekend geworden dat de zakenrelatie het uitgeleende geld ‘rondpompte’ in die zin dat hij met inleggelden van nieuwe deelnemers aan zijn ‘beleggingen’ zijn verplichtingen tegenover eerdere inleggers financierde. Het echtpaar heeft bij aanvulling op hun aangiften 2005 verzocht de vordering in 2005 alsnog in de balans van hun onderneming op te nemen en af te waarderen tot nihil wegens oninbaarheid. De inspecteur is het hier niet mee eens en ook bij de rechtbank krijgt het tandartsenechtpaar geen gelijk. In hoger beroep oordeelt Hof Amsterdam dat de leningen niet tot het ondernemingsvermogen kunnen worden gerekend. Ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de leningen zijn verstrekt uit liquide middelen van de onderneming die tijdelijk overtollig waren, zijn deze middelen op een zodanige wijze belegd dat niet redelijkerwijze kon worden aangenomen dat deze weer tijdig in de onderneming beschikbaar zouden zijn. De afwaardering ter zake van de leningen kan niet ten laste van het resultaat van de onderneming worden gebracht.
Bron: Hof Amsterdam 11-07-2013