Lange opstartperiode

Wanneer een ondernemer op een goede manier kan onderbouwen waarom hij zo’n tien jaar nodig heeft om zijn zaak op te bouwen, kan het bedrijf al die jaren als bron van inkomen worden aangemerkt. De verliezen kunnen in mindering worden gebracht in de aangifte als resultaat uit onderneming. Dat is althans de mening van Hof Arnhem.
Een echtpaar is in april 2005 een maatschap aangegaan met als doel het gezamenlijk voor gemeenschappelijke rekening en risico exploiteren van een agrarisch bedrijf. De bedrijfsactiviteiten van de maatschap bestaan uit het exploiteren van een schapenfokkerij. De man is naast de maatschap dga van een handelsonderneming in zacht fruit. Volgens de maatschapakte wordt na aftrek van een vergoeding voor arbeid de winst gelijk tussen de maten verdeeld. Verliezen tijdens de opstartperiode (die duurt tot en met 31 december 2009) komen echter alleen voor rekening van de man. Naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2011 waarin een prognose wordt gegeven van de resultaten tot en met 2015, concludeert de inspecteur dat er geen duurzame winstverwachting is. Men verwacht immers tot en met 2015 verlies te draaien. De activiteiten van de maatschap vormen daarom geen bron van inkomen. Met ingang van 1 januari 2007 is er fiscaal geen sprake van een onderneming.
Hof Arnhem is echter van mening dat de schapenhouderij wel als bron van inkomen beschouwd kan worden omdat aannemelijk is dat deze activiteiten winstgevend zullen gaan worden. De veestapel is vanaf de start van de activiteiten – door eigen fok – geleidelijk opgebouwd. In 2005 had het bedrijf 12 schapen en eind 2012 bestond de veestapel uit 522 schapen. De maten verwachten in 2015 zo’n 1.000 schapen te hebben. Voorts is van belang dat de schapenhouder ter zitting geloofwaardig heeft verklaard dat vanaf 2014/2015 positieve resultaten zijn te verwachten. De schapenhouder heeft er op gewezen dat een veestapel van rond de 1.000 schapen aanzienlijke schaalvoordelen oplevert. Ook heeft hij aangegeven dat de financieringslasten zullen worden teruggedrongen door geplande kapitaalstortingen. Omdat de maten in de jaren 2007, 2008 en 2009 ook al forse kapitaalstortingen hebben gedaan, acht het hof deze stelling geloofwaardig. Ook worden hogere opbrengsten per schaap gerealiseerd dan waarmee rekening is gehouden in de door de Inspecteur gehanteerde KWIN-normen. Het hof is er daarom van overtuigd geraakt dat schapenhouder met de door hem gekozen bedrijfsvoering een lange aanloopperiode nodig heeft voordat het ‘break even-punt’ wordt bereikt in 2014/2015. Onder gegeven omstandigheden is een beperkte beoordelingsperiode van de bronvraag niet juist. De gerealiseerde verliezen in de jaren 2005 tot en met 2013 doen er derhalve niet aan af dat er desondanks sprake is van een objectieve winstverwachting. Daarbij komt dat de controlerend ambtenaar in een eerder boekenonderzoek het vertrouwen heeft gewekt dat sprake was van een bron van inkomen.
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 21-01-2014