Kostbaar beroep op onmisbaarheid bij afspiegeling

De werkgever ziet bij een ontbindingsverzoek zijn beroep op onmisbaarheid bij afspiegeling gehonoreerd, maar de kantonrechter passeert wel zijn beroep op de slechte financiële situatie en kent een aanzienlijk hogere ontslagvergoeding toe dan de werkgever stelde te kunnen betalen.
Een betonmortelbedrijf vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van één van haar chauffeurs wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Het bedrijfsresultaat van het bedrijf is in enkele jaren gedaald van € 1.134.000 positief in 2009 naar € € 217.000 negatief in 2012. Ook voor 2013 wordt rekening gehouden met een negatief resultaat van € 276.000. De werkgever heeft enkele kostenbesparende maatregelen genomen en vanaf medio 2012 zijn vier werknemers vrijwillig vertrokken. Ondanks dat ziet de werkgever zich genoodzaakt ook werknemers te ontslaan, waaronder de chauffeur. Deze werknemer in begin 2001 in dienst getreden als chauffeur/kraanmachinist en is na vanaf 2004 de functie van laborant te hebben uitgeoefend medio 2011 weer chauffeur geworden. Het laatstverdiende salaris bedraagt € 2.691,20 per vier weken, exclusief vakantietoeslag. Sinds 2012 is hij arbeidsongeschikt.
De chauffeur komt volgens het afspiegelingsbeginsel niet voor ontslag in aanmerking, maar de wel voor ontslag in aanmerking komende werknemer is onmisbaar voor de werkgever. Deze werknemer is namelijk behalve chauffeur ook shovelchauffeur, lasser en monteur en verzorgt de reparaties en het onderhoud aan de machines. De werkgever geeft aan dat gezien de financiële positie van het bedrijf een hogere ontslagvergoeding dan € 8.073,60 bruto.
De chauffeur geeft voor de rechtbank aan dat hij in 2011 niet vrijwillig weer chauffeur is geworden. Door het werk van chauffeur is hij arbeidsongeschikt geraakt. Hij geeft aan in de functie van laborant te kunnen en willen terugkeren door re-integratie. Hij stelt dat volgens het afspiegelingsbeginsel niet hij maar de andere chauffeur voor ontslag in aanmerking komt. Ten aanzien van de financiële situatie van de werkgever merkt hij op dat het bedrijf deel uitmaakt van een concern dat de winst in voorgaande jaren uit het bedrijf heeft gehaald. Hij meent dat een substantiële vergoeding kan worden betaald.
De kantonrechter te Winschoten oordeelt dat de arbeidsongeschiktheid niet ten grondslag ligt aan het ontbindingsverzoek. Andere opzegverboden zijn niet aan de orde. Over de re-integratie van de werknemer kan de kantonrechter niets vaststellen: de partijen betwisten elkaars standpunt en er zijn geen rapportages van arbeidsdeskundige of bedrijfsarts ingebracht. De kantonrechter buigt zich daarom alleen over de door de werkgever aangevoerde bedrijfseconomische reden van het ontslag, de onmisbaarheid van de andere werknemer en de ontslagvergoeding.
Volgens de kantonrechter is voldoende gebleken dat het voor de werkgever noodzakelijk is om kostenbesparende maatregelen te nemen. Het bedrijfsresultaat ontwikkelt zich negatief en het bedrijf komt in de rode cijfers. De werkgever heeft andere maatregelen dan ontslag van werknemers genomen, maar deze hebben onvoldoende soelaas geboden. Daar komt bij dat de ondernemersbeslissing om nu tot ontslag over te gaan, door de kantonrechter marginaal wordt getoetst.
Het beroep op de uitzondering op het afspiegelingsbeginsel wordt door de kantonrechter gehonoreerd: de andere werknemer beschikt over bijzondere kennis en vaardigheden die niet behoren tot de ‘gewone’ functie die uitwisselbaar is met die van de chauffeur, waardoor hij werkzaamheden kan verrichten waarvoor anders externen ingeschakeld moeten worden.
Wel kent de kantonrechter een aanzienlijk hogere vergoeding toe dan door de werkgever is geboden. Bij een bedrijfseconomisch ontslag wordt de vergoeding in de regel volgens de neutrale kantonrechtersformule berekent, maar in de huidige omstandigheden ziet de kantonrechter reden de c-factor op 1,25 te bepalen. Ook is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever voldoende financiën heeft (gehad). Wanneer die financiën overgeheveld zijn naar andere onderdelen van het concern, mag dat niet tot nadeel van de werknemer strekken. De kantonrechter kent derhalve een vergoeding toe van € 82.500,00 bruto en passeert het beroep van de werkgever op de slechte financiële situatie. Wel krijgt de werkgever vanwege de aanzienlijk hogere vergoeding de gelegenheid haar ontbindingsverzoek in te trekken.
Bron: Rb. Noord-Nederland 4-06-2013