Inlener verantwoordelijk voor juiste beloning

Een uitzendkracht die niet volgens de cao wordt betaald kan de schade niet alleen claimen bij het uitzendbureau, maar ook bij het inlenende bedrijf als dat nalaat passende afspraken te maken met het uitzendbureau over de beloning van uitzendkrachten.
Een chemiebedrijf kent een eigen bedrijfs-cao die van toepassing is op haar werknemers. Van 2005 tot en met 1 mei 2009 waren er vier verschillende bedrijfs-cao’s van toepassing, waarin telkens was opgenomen dat uitzendkrachten die onder de werkingssfeer van de cao voor Uitzendkrachten vallen, beloond worden op basis van de geldende salarisschalen voor werknemers vallend onder de bedrijfs-cao het bedrijf, inclusief daarbij behorende bepalingen ten aanzien van inschaling.
Een werknemer was als uitzendkracht bij een uitzendbureau in dienst getreden. Sedert 2004 was op zijn arbeidsovereenkomst de cao voor Uitzendkrachten (ABU-cao) van toepassing, waarin is bepaald dat het uitzendbureau aan de uitzendkracht het loon diende te betalen dat hij verdiend zou hebben wanneer hij voor dezelfde arbeid in loondienst zou zijn geweest van de inlener. In 2008 ontstond enige arbeidsonrust onder de uitzendkrachten bij het chemiebedrijf over de loonbetaling. Naar aanleiding hiervan is het chemiebedrijf met het uitzendbureau overeengekomen dat de uitzendkrachten vanaf 1 september 2008 conform de bedrijfs-cao worden betaald. Omdat het uitzendbureau zich niet aan die beloningsafspraak hield, heeft het chemiebedrijf op 13 maart 2009 haar relatie met het bedrijf per 1 mei 2009 beëindigd. Kort daarna wordt de werknemer door het uitzendbureau ontslagen en in augustus gaat het uitzendbureau failliet.
De uitzendkracht heeft vervolgens over de periode vanaf 1 maart 2005 een loonvordering van € 19.860,71 bij de curator ingediend. Op 16 november 2009 heeft de uitzendkracht bij gebrek aan verhaal op het uitzendbureau het chemiebedrijf aansprakelijk gesteld voor het niet-betaalde loon.
De kantonrechter wijst de vordering van de uitzendkracht af, maar bij het hof heeft hij meer succes. Het hof overweegt, dat het een partij bij een overeenkomst niet onder alle omstandigheden vrij staat de belangen te verwaarlozen die derden bij een behoorlijke nakoming van een contract kunnen hebben. Onder omstandigheden is het uitlokken of profiteren van de wanprestatie van een ander door een derde onrechtmatig, bijvoorbeeld wanneer de derde de verbintenis kende, zich bewust moet zijn geweest van het aanmerkelijk nadeel dat door de wederpartij uit de tekortkoming zou voortvloeien en de ander tot de wanprestatie heeft aangezet. Of hiervan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval.
In deze zaak is niet in geschil dat de uitzendkracht het loon toekwam dat hij verdiend zou hebben wanneer hij voor dezelfde arbeid in loondienst zou zijn geweest van het chemiebedrijf. Volgens het hof rustte op het bedrijf niet de verplichting om erop toe te zien dat de loonsom die zij aan het uitzendbureau betaalde, na aftrek van de opslag ook daadwerkelijk aan de uitzendkrachten werd betaald. Echter indien het bedrijf, bijvoorbeeld door na te laten bij haar eigen cao passende afspraken over beloning met het uitzendbureau te maken, een situatie van onderbetaling heeft uitgelokt of deze voor haar profijtelijke situatie willens en wetens in stand heeft gehouden, kan dit wel degelijk onrechtmatig handelen opleveren. Het hof is van oordeel dat voor de periode na 1 september 2008 het bedrijf geen onrechtmatig handelen kan worden verweten. Voor die periode zijn met het uitzendbureau afspraken gemaakt over de loonbetaling volgens de cao en, toen bleek dat de afspraken niet werden nagekomen, heeft het bedrijf de overeenkomst met het uitzendbureau verbroken. Voor de periode voor 1 september 2008 is dat echter anders. Omdat voor het hof onduidelijk is in hoeverre de uitzendkrachten voor 1 september zijn onderbetaald, krijgt het bedrijf tot 27 augustus de tijd om stukken aan te leveren over haar wijze van beloning over die periode.
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 16-07-2013