Inkomsten masseuse bij wellness centrum loon uit dienstbetrekking

Of de inkomsten worden aangemerkt als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking kan een een fors verschil maken. Dit komt veelal door het verschil in behandeling van de aftrekbaarheid van kosten en ondernemersaftrek bij het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning. In een zeer feitelijke casus komt Rechtbank Den Haag tot het oordeel dat een masseuse bij een wellness centrum geen zelfstandig beroep uitoefende maar loon genoot uit dienstbetrekking.
Een masseuse staat sinds 1 januari 2009 ingeschreven als eenmanszaak in het handelsregister met als omschrijving massagepraktijk. Daarnaast is ze vanaf maart 2009 en geheel 2010 als masseuse werkzaam bij een bv. Ze is in het bezit van een VAR winst uit onderneming.
Op 14 december 2011 is bij haar een boekenonderzoek uitgevoerd. Het rapport naar aanleiding van dit onderzoek stelt onder meer dat zij gemiddeld twintig uur per week op vaste dagen werkzaam is voor de bv. De afspraken en de betalingen van de klanten van de bv gaan via de receptie. Vervolgens reikt de masseuse eens per maand een factuur uit met de gewerkte uren tegen een vast afgesproken bedrag. Daarnaast mocht zij geen klanten werven voor haar eenmanszaak en zich niet laten vervangen door iemand anders tijdens haar afwezigheid.
In 2009 en 2010 heeft zij ongeveer vijf particuliere klanten gemasseerd, voornamelijk kennissen, vrienden en familieleden.
In geschil is of de haar inkomsten als winst uit onderneming kwalificeren, dan wel als loon uit dienstbetrekking zoals de inspecteur stelt.
Rechtbank Den Haag stelt voorop dat door het onjuist beantwoorden van het aanvraagformulier van de VAR, de inspecteur niet gebonden is door de afgegeven VAR winst uit onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank had de masseuse onvoldoende zelfstandigheid ten opzichte van de bv. Uit de feiten blijkt dat de bv waarvoor zij werkte de tarieven bepaalde, de personen die door zij bij de bv masseerde waren klant van de bv, en zij moest zich houden aan de richtlijnen van de bv. De bv had het recht had om haar opdrachten te verstrekken die zij persoonlijk diende uit te voeren. Bij ziekte of afwezigheid van de masseuse schakelde de bv een bij de bv werkzame collega in. Dit kwalificeerde niet als onderaanneming zodat daaruit geen zelfstandigheid valt af te leiden.
De masseuse voert nog aan dat een massage bij uitstek een dienst is waarvan de inhoud wordt bepaald door het samenspel van klant en masseur, waarbij de bv geen zicht en invloed op uitoefent. Dit brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel.
Daarnaast werd de masseuse per uur betaald. Dat zij niet betaald werd, als er geen werk was, is volgens de rechtbank geen debiteurenrisico en evenmin een specifiek ondernemersrisico.
Rechtbank Den Haag is van oordeel dat van een zelfstandig uitgeoefend beroep geen sprake is, zodat de inkomsten niet zijn aan te merken als winst uit onderneming.
Bron: Rb. Den Haag 5-11-2013