Hoge Raad verkort periode berekening belastingrente

De Hoge Raad vindt het niet aanvaardbaar dat de Belastingdienst de belastingrente berekent over een periode waarin de Belastingdienst al heeft beschikt over dat belastingbedrag. De belastingrenteregeling in de AWR wijkt daardoor af van de renteverzuimregeling en dat heeft de wetgever juist niet gewild.

Een bv ontvangt met dagtekening 30 januari 2016 een (eerste) voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2016 naar een belastbaar bedrag van € 12,8 miljoen. De bv heeft deze voorlopige aanslag in 2016 betaald. Op 24 maart 2018 is een tweede voorlopige aanslag opgelegd vanwege de ingediende aangifte vennootschapsbelasting. Uit die aangifte volgt een teruggave van € 344.593. Nadat de bv de aangifte heeft ingediend, stelt de Belastingdienst een boekenonderzoek in. Vervolgens doet de bv opnieuw aangifte vennootschapsbelasting. Door de herziene aangifte vennootschapsbelasting heeft de bv een aanslag ontvangen met een te betalen bedrag van € 14.478. Daarover heeft de Belastingdienst € 1.553 aan belastingrente berekend.
Bij letterlijke toepassing van de belastingrenteregeling wordt ook belastingrente berekend over een periode waarin de Belastingdienst al heeft beschikt het belastingbedrag vanwege een voorlopige aanslag die eerder is opgelegd. Dit gevolg is volgens de Hoge Raad onaanvaardbaar, omdat hierdoor wordt afgeweken van de verzuimrenteregeling in de Awb. De fiscale wetgever heeft met de belastingrenteregeling juist willen aansluiten bij de verzuimrenteregeling in de Awb. Deze regeling veronderstelt namelijk een nog niet betaalde hoofdsom en te compenseren renteschade. Hoofdsom en renteschade ontbreken echter voor zover het betreft de periode dat de Belastingdienst heeft beschikt over het verschuldigde belastingbedrag. De berekening van de belastingrente dient daarom beperkt te worden tot de periode 25 maart 2018 tot en met 3 november 2018. De Hoge Raad merkt voorts op dat de Belastingdienst belastingrente wel mag berekenen over de periode tussen de dagtekening van een aanslagbiljet en de uiterste datum waarop de bv de desbetreffende belastingaanslag moet hebben betaald, ook als de bv die aanslag al vóór het einde van de betaaltermijn heeft betaald.

Bron: Hoge Raad 18-11-2022