Geen tweede meerjarig flexcontract

Volgens minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is geen noodzaak om een tweede meerjarig tijdelijk contract te introduceren. Dat schrijft hij aan de Tweede Kamer. Volgens Asscher kleven hieraan voor de werknemer teveel nadelen.
Op verzoek van de Kamer onderzocht Asscher de mogelijkheden van een tweede meerjarig tijdelijk contract, als tussenvorm tussen vast en flex. De Tweede Kamerleden Heerma (CDA) en Voortman (GL) hadden hier bij de behandeling van de Wet werk en zekerheid in een motie op aangedrongen. Volgens hen zou een twee meerjarig contract ‘weliswaar niet de zekerheid van een vast contract’ bieden, maar ‘wel meer keuzevrijheid en zekerheid voor flexwerkers’.
Nu kan men een werknemer eenmalig een langdurig tijdelijk contract aanbieden zonder hem in vaste dienst te nemen. Elk contract daarna – kort of lang – wordt dan in de regel van rechtswege een contract voor onbepaalde tijd, indien met dit eerste contract de maximale duur van de ketenregeling wordt overschreden (thans drie jaar, vanaf 1 juli volgend jaar twee jaar). Volgens Asscher blijkt uit onderzoek dat een tweede meerjarig contract voor werknemers nadelen heeft. Ze zitten namlijk langer in onzekerheid. Ook heeft het volgens hem negatieve gevolgen voor werkgevers. Mocht het tweede contract korter duren dan het eerste, dan zal de werkgever onvoldoende gestimuleerd worden om in de werknemer te investeren. Duurt het wel minstens zo lang, dan zal de mogelijkheid moeten worden opgenomen dat er tussentijds opgezegd kan worden, aldus Asscher. In dat geval verschilt het contract voor de werknemer niet van een vast contract, behalve dan dat het afloopt.
Bron: Min SZW 25-11-2014, 2014-0000177489