Geen tewerkstellingsvergunning in EU-dienstenverkeer

In navolging van de conclusie van de advocaat-generaal heeft het Europese Hof van Justitie beslist dat een verplichte tewerkstellingsvergunning voor werknemers uit derde landen in dienst van een uitzendbureau uit een andere EU-lidstaat in strijd is met het Unierecht over het vrij verkeer van diensten.
Het Europese hof beantwoordt met zijn uitspraak vragen van de Raad van State inzake de tewerkstelling van derdelanders zonder tewerkstelling bij bouwwerkzaamheden voor Essent. De zaak betrof steigerbouwers uit onder meer Turkije die via een Duits uitzendbureau werkzaam waren voor een Nederlands bedrijf dat steigers bouwde bij Essent. De Wet arbeid vreemdelingen verbiedt een werkgever om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Echter, artikel 56 van het EU-Werkingsverdrag verbiedt lidstaten om beperkingen op te leggen op het vrij verrichten van diensten. Het Europese Hof boog zich over de vraag, of de Nederlandse vergunningsplicht een dergelijke beperking kan vormen, aangezien de dienstverlener een Duits bedrijf was.
Het Hof van Justitie oordeelt dat het ter beschikking stellen van werknemers door de ene onderneming aan de andere onder het begrip dienstverlening valt. Het maakt daarbij niet uit dat de werknemers uit derde landen komen, zolang de dienstverlener (de onderneming) maar in de Europese Unie gevestigd is. Volgens het Hof van Justitie is het Nederlandse vergunningstelsel dus een beperking van de vrijheid van dienstverrichting.
Het standpunt van de Nederlandse regering dat de vergunningsplicht dient om de nationale arbeidsmarkt te beschermen, is weliswaar een gerechtvaardigd belang, maar de maatregel in kwestie is volgens het Hof te verstrekkend. De Turkse werknemers willen immers niet werkelijk toetreden tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Na de opdracht zouden zij weer terugkeren naar Duitsland, waar ze rechtmatig verbleven en werkten. Daarom vindt het Hof dat een vergunningsplicht verder gaat dan nodig om de nationale arbeidsmarkt te beschermen. Een plicht voor werkgevers om simpelweg melding te maken van werknemers uit derde landen, zou volgens het Hof minder verstrekkend zijn. Nederland kan dan nog steeds controles uitvoeren.
Het Hof van Justitie concludeert dat de Nederlandse vergunningsplicht voor werknemers uit derde landen, in dienst bij een onderneming uit een EU lidstaat, een beperking vormt op het vrij verkeer van diensten die niet kan worden gerechtvaardigd.
Bron: EU HvJ 11-09-2014