Geen levensvatbaar bedrijf, geen bbz

Zelfstandigen kunnen een beroep doen op financiële bijstand van hun gemeente op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Daarvoor gelden wel enkele voorwaarden, waaronder, afhankelijk van de situatie, de levensvatbaarheid van het bedrijf.
Een zelfstandige exploiteert een taxibedrijf. Vanaf 2005 vraagt hij een aantal maal een uitkering ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) aan. De eerste aanvraag in 2005, met het oog op de exploitatie van een taxibedrijf, wordt afgewezen, omdat het bedrijf niet levensvatbaar wordt geacht. In 2007 krijgt hij wel bijstand in de vorm van een geldlening. In juli van dat jaar start hij met het taxibedrijf. In 2009 krijgt hij weer een lening op grond van het Bbz 2004 na een ongeluk met zijn taxi. Oktober 2011 doet hij weer een nieuwe aanvraag, die echter wordt afgewezen. De gemeente heeft een bedrijfsconsultancy firma om advies gevraagd over de aanvraag. Dit consultancybureau komt tot de conclusie dat het bedrijf niet levensvatbaar is. Volgens dit bureau komen de tegenvallende bedrijfsresultaten door onvoldoende commerciële en financiële ondernemerscapaciteiten, hevige concurrentie en een bedreigende marktsituatie. De ondernemer onderneemt te weinig actie om de bedrijfsresultaten te verbeteren en zijn houding is te afwachtend. Volgens de bedrijfsadviseurs zal omzetstijging uitblijven met als gevolg een negatieve aflossingscapaciteit voor de komende drie jaar. De ondernemer voert nog aan dat door rugklachten de omzet is achtergebleven, maar dat is voor het bureau geen aanleiding het advies te wijzigen. Een vervolgonderzoek naar het verband tussen de omzet en de gewerkte uren wijst uit dat het aantal uren dat de ondernemer beschikbaar is voor zijn werk niet de belangrijkste oorzaak is voor de verslechterde financiële positie.
Ook de rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) komen tot de conclusie dat het bedrijf niet levensvatbaar is en de Bbz-uitkering daarom terecht is afgewezen. De CRvB overweegt dat op grond van het Bbz 2004 het bedrijf (of zelfstandig beroep) waaruit de zelfstandige na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven toereikend moet zijn om het bedrijf voort te zetten en in het bestaan te voorzien. En daarnaast moet het inkomen toereikend zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen. Het adviesbureau had de omzetprognose voor de komende drie jaren (na december 2011) vastgesteld op € 11.800, respectievelijk € 12.300 en € 13.000, terwijl minimaal een omzet van € 35.700 nodig was om aan alle zakelijke en privéverplichtingen te kunnen voldoen. Duidelijk is gemaakt dat de oorzaak van de problemen niet is gelegen in het aantal beschikbare uren. En de ondernemer zelf heeft niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door een deskundig tegenadvies, dat dit anders is.
Bron: CRvB 19-08-2014