Geen geruisloze omzetting levensloop in lijfrente

Staatssecretaris Weekers wijst een verruiming van de mogelijkheden levenslooptegoed (geruisloos) om te zetten in een lijfrente af. Dit valt volgens hem budgettair nadelig uit, staat haaks op het kabinetsbeleid om mensen te stimuleren langer door te werken en kan leiden tot meer administratieve lasten voor werkgever en fiscus.
Bij de plenaire behandeling van Belastingplan 2013 was toegezegd in een later stadium nader in te gaan op de budgettaire effecten en uitvoeringstechnische aspecten van het omzetten van levenslooptegoeden in een pensioenproduct. In een brief aan de Eerste Kamer geeft Weekers aan dat een nieuwe mogelijkheid voor het omzetten van levenslooptegoeden in een oudedagsvoorziening haaks staat op de kabinetsdoelstelling om met vrijvallende levenslooptegoeden de economie een impuls te geven. Hij heeft er wel begrip voor dat werknemers een eventueel pensioentekort willen aanvullen en binnen de huidige wetgeving bestaan hiervoor al mogelijkheden (bruto levenslooptegoed geruisloos omzetten in pensioenaanspraak voor zover er fiscale ruimte in de tweede pijler resteert; vrijgevallen netto levenslooptegoed benutten voor een vrijwillige oudedagsvoorziening in de derde pijler). In zijn brief gaat hij nader in op het idee van een geruisloze omzetting van het bruto levenslooptegoed in een derde pijler product, zoals door de Kamer was voorgesteld.
Voor zo’n geruisloze omzetting zijn twee varianten denkbaar. De eerste variant is dat de geruisloze omzetting onbeperkt, ook buiten de in de derde pijler beschikbare ruimte mogelijk is. In de tweede variant is de geruisloze omzetting beperkt tot de in de derde pijler beschikbare ruimte.
Wat betreft de eerste variant stelt Weekers dat deze haaks staat op het beleid om de fiscale facilitering van oudedagsvoorzieningen in te perken. Het kabinetsbeleid is juist op gericht om te stimuleren dat mensen langer aan het arbeidsproces blijven deelnemen. Bovendien heeft een dergelijke oplossing negatieve budgettaire effecten. De tweede variant leidt volgens hem tot administratieve lasten, vooral van werkgevers. Zij zijn immers niet op de hoogte van de fiscale ruimte die de werknemer in de derde pijler heeft. Een werkgever moet dan eerst die informatie inwinnen om te kunnen bepalen welk deel van het levenslooptegoed geruisloos kan worden omgezet in een derdepijlerproduct. Het resterende saldo zou dan vervolgens na inhouding van loonbelasting worden uitgekeerd. Ook moet de werkgever de Belastingdienst renseigneren dat levenslooptegoed geruisloos is omgezet in een lijfrente, bijvoorbeeld met een speciale loonbelastingopgave. De geruisloze omzetting leidt daarmee ook tot meer werk voor de Belastingdienst.
Staatssecretaris Weekers wijst invoering van een nieuwe, complexe mogelijkheid voor geruisloze omzetting af. Hetzelfde resultaat is volgens hem al binnen de huidige regelgeving te realiseren als het levenslooptegoed eerst wordt opgenomen en vervolgens gebruikt wordt ter financiering van een pensioenproduct in de derde pijler. Er wordt dan eerst belasting betaald over het opgenomen levenslooptegoed, maar de betaalde lijfrentepremie is vervolgens, binnen de in de derde pijler beschikbare ruimte, aftrekbaar.
Bron: MvF 11-07-2013