Extra procedures door aanpassing ontslagrecht?

De Raad voor de rechtspraak kan zich vinden in de aanpassing van het ontslagrecht die wordt voorgesteld in het wetsontwerp Wet werk en zekerheid, maar heeft zijn bedenkingen bij enkele te gedetailleerde regelingen in het wetsontwerp. De Raad verwacht dat het wetsvoorstel op bepaalde fronten zelfs zal leiden tot meer procedures in plaats van minder.
Met het wetsontwerp wil het kabinet het ontslagrecht vereenvoudigen en eenduidiger maken, de rechtspositie van flexwerkers versterken en het recht op WW beperken. Alle werknemers krijgen bij beëindiging van een dienstverband van minstens twee jaar een ‘transitievergoeding’, waarmee ze bijvoorbeeld scholing voor ander werk kunnen betalen. De WW wordt teruggebracht van maximaal 38 naar 24 maanden en voorzien van een ‘activerende aanpak’ die werklozen weer snel aan het werk moet krijgen.
Dit wetsvoorstel moet ook een einde maken aan de tweedeling in het ontslagrecht. Nu hebben werkgevers nog de keuze tussen een ontslagvergunning aanvragen bij het UWV of ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. In dat laatste geval krijgt de werknemer meestal geld mee. Het nieuwe wetsvoorstel bepaalt dat het UWV beslist over ontslag wegens bedrijfseconomische redenen of langdurige ziekte, terwijl alle andere – meer persoonlijke – ontslagredenen aan de kantonrechter worden voorgelegd.
De Raad onderschrijft de noodzaak van aanpassing van het ontslagrecht. Het huidige ontslagstelsel kan namelijk tot ongelijke behandeling leiden. De Raad vindt het ‘een goede en terechte keuze’ dat de kantonrechter met zijn expertise een belangrijke rol houdt. Ook de veel ruimere mogelijkheid om hoger beroep en cassatie in te stellen kan op steun rekenen. Hetzelfde geldt voor het voorstel dat iedere ontslagen werknemer in beginsel recht heeft op dezelfde transitievergoeding. Wel is de Raad voor de rechtspraak van mening dat het vergoedingensysteem in het wetsvoorstel zo verfijnd is – als de financiële positie het niet toelaat geen vergoeding, verrekening van reeds gemaakte kosten (bijvoorbeeld voor scholing), in bepaalde gevallen extra vergoedingen ¬– dat het geheel er niet eenvoudiger op wordt. Dat komt de rechtszekerheid niet ten goede. Ook bij andere gedetailleerde regelingen – bijvoorbeeld de waslijst van ontslagcriteria waaraan de rechter zich zou moeten houden – heeft de Raad bedenkingen.
Het wetsvoorstel beoogt een ‘dejuridiserend’ effect te hebben op de ontslagpraktijk, maar werkt volgens de Raad op bepaalde fronten extra procedures in de hand. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen en ingevoerd, verwacht de Rechtspraak jaarlijks minimaal € 6,4 miljoen extra nodig te hebben voor extra rechtszaken in eerste aanleg en in hoger beroep.
Bron: Raad voor de Rechtspraak 9-09-2013