EHRM: BOF geen discriminatie

Volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is de bedrijfsopvolgingsregeling (BOF) geen disproportionele maatregel.
Een Nederlandse erfgenaam heeft samen met zijn moeder (wiens bewindvoerder hij is) een zaak aangespannen bij het EHRM omdat hij het niet eens met de beslissing van de inspecteur dat de BOF niet van toepassing is op de erfenis (geen ondernemingsvermogen) van zijn vader. De erfgenaam vindt dit in strijd met het verbod op discriminatie.
Het EHRM oordeelt allereerst dat zijn moeder geen slachtoffer in deze zaak is omdat zij niet direct geraakt wordt door de gestelde discriminatie. Haar verkrijging is niet beslast omdat zij de partnervrijstelling kan toepassen. Hoewel de zoon formeel nog niet is uitgeprocedeerd in Nederland, hij heeft zijn zaak nog niet voor de Hoge Raad gebracht, neemt het Hof er genoegen mee dat de Hoge Raad in vijf vergelijkbare zaken een beslissing heeft genomen en de inspecteur een collectieve uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Naast het verbod op discriminatie zal het Hof ook nagaan of er inbreuk wordt gemaakt op het recht van eigendom.
Het Hof is het een met de stelling van de Hoge Raad dat verkrijgingen van vermogensbestanddelen met waarde in het economische verkeer, met het oog op de heffing van schenkings- en successierecht, voor de toepassing van de verdragsbepalingen als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt, ongeacht of deze vermogensbestanddelen al dan niet als ondernemingsvermogen zijn aan te merken. Een verschil in behandeling tussen verkrijgingen van ondernemingsvermogen en van andersoortige vermogensbestanddelen behoeft daarom rechtvaardiging. Het Hof respecteert de inschatting van de wetgever in belastingzaken tenzij er geen redelijke grond voor is. Het Hof zal daarom beoordelen of er sprake is van een legitiem doel voor ongelijke behandeling. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat de vrijstelling is bedoeld om het voortbestaan van familiebedrijven niet te belemmeren. Die voorzetting kan een bijdrage leveren aan behoud en groei van werkgelegenheid, behoud van economische diversiteit en aan stabiliteit. Daarnaast heeft de wetgever oog gehad op de stimulering van ondernemerschap. De vrijstelling is dan ook terecht niet van toepassing op niet-ondernemingsvermogen. Er is geen sprake van een disproportionele maatregel. Er is geen sprake van discriminatie. De zaak is daarmee niet-ontvankelijk.
Bron: EHRM 27 mei 2014