Een kat in het nauw

Een schoonmaakbedrijf haalt werkelijk alles uit de kast om onder inlenersaansprakelijkheid uit te komen. Vergeefs: de stortvloed aan stellingen en argumenten missen een deugdelijke onderbouwing.
Een onderneming verricht voornamelijk schoonmaakwerkzaamheden in grotere recreatieparken in Nederland. In 2001 en 2002 stellen twee uitzendbureaus personeel ter beschikking aan de onderneming voor het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden onder haar leiding en toezicht. De uitzendkrachten werken naast het eigen schoonmaakpersoneel van de onderneming. De activiteiten van het ene uitzendbureau worden op een bepaald moment overgenomen door het tweede uitzendbureau. Het eerste uitzendbureau heeft tot 1 april 2002 aangifte LB/PVV gedaan; vanaf 1 april 2002 doet het tweede uitzendbureau de aangiften. Op 5 juli 2005 gaat dat uitzendbureau failliet. De FIOD-ECD en de SIOD doen strafrechtelijk onderzoek tegen beide uitzendbureaus. Alle administratie, correspondentie, vastleggingen e.d. worden in beslag genomen. De inspecteur krijgt inzage in alle stukken en hij legt naheffingsaanslag LB/PVV op. De naheffingsaanslagen blijven onbetaald en de ontvanger stelt de schoonmaakonderneming aansprakelijk.
In geschil is of die onderneming terecht en tot de juiste bedragen aansprakelijk is gesteld. Met betrekking tot hetgeen die onderneming stelt, oordeelt de rechtbank als volgt. De verjaring van de aansprakelijkheidsbeschikkingen is tijdig gestuit. Hierdoor is er geen sprake van verjaring. Uit onderzoek en getuigenverklaringen blijkt dat de uitzendkrachten onder leiding en toezicht van de schoonmaakonderneming hebben gewerkt. De onderneming heeft bovendien tijd genoeg gehad om te onderzoeken of van het tegendeel sprake is. De stortingen op de g-rekening zijn naar juiste bedragen in mindering gebracht op de bedragen van de aansprakelijkheidsstelling. Het beroep op de disculpatiemogelijkheid wijst de rechtbank af. Het is namelijk aan beide uitzendbureaus te wijten dat de LB/PVV niet is betaald. Volgens het schoonmaakbedrijf mag er geen sanctie worden opgelegd, omdat de relevante administratie na de wettelijke bewaartermijn is vernietigd. De rechtbank oordeelt dat het vernietigen van de relevante stukken voor haar rekening en risico blijft. Volgens de rechtbank zijn de aansprakelijkheidsstellingen niet naar te hoge bedragen vastgesteld. De berekeningen door de ontvanger zijn voldoende onderbouwd.
Hiernaast heeft het schoonmaakbedrijf nog twaalf stellingen naar voren gebracht, maar slaagt er niet in om de stellingen voldoende te motiveren en levert nog geen begin van bewijs voor de juistheid of relevantie van de stellingen voor de aansprakelijkstellingen. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Bron: Rb. Noord-Nederland 12-04-2016