Doorschuiven kan alleen bij wijziging tenaamstelling

Omdat voor de vrijstelling- en doorschuifregeling BPM expliciet wordt aangesloten bij de tenaamstelling van een bestelauto, is aan de ondernemer, wiens bestelauto eigendom was van een leasemaatschappij, terecht een naheffingsaanslag BPM opgelegd.
Een ondernemer dreef tot 1 juli 2012 een sloopbedrijf. Voor zijn onderneming maakte hij gebruik van een bestelauto. De bestelauto werd door de ondernemer geleased. Vanaf 19 november 2008 stond de ondernemer als houder van de bestelauto geregistreerd in het kentekenregister. De inspecteur heeft hiervoor een vrijstelling van BPM verleend van € 14.180. Vanwege de slechte financiële situatie besluit de ondernemer zijn onderneming te verkopen. Op 1 juli 2012 worden alle activa, inclusief de bestelauto, overgedragen aan de koper. De leasemaatschappij zet de bestelauto echter pas op 26 maart 2013 op naam van de koper. De inspecteur legt aan de ondernemer een naheffingsaanslag BPM op. Omdat de ondernemer vanaf 1 juli 2012 geen ondernemer meer is, voldoet hij niet langer aan de voorwaarden voor de vrijstelling van BPM.
Voor de rechtbank is het de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, of dat de ondernemer een beroep kan doen op de doorschuifregeling. De ondernemer heeft samen met de koper een doorschuifverklaring opgemaakt. Daarbij maakt het volgens hem niet uit dat de wijziging van de tenaamstelling later heeft plaatsgevonden. De wijziging heeft buiten de schuld van de ondernemer langer geduurd dan verwacht, omdat hij voor de overschrijving de goedkeuring en de medewerking van de leasemaatschappij nodig had.
Volgens de rechtbank volgt uit de wet dat voor de vrijstelling- en doorschuifregeling expliciet is aangesloten bij de tenaamstelling van de bestelauto. Voorwaarde om de doorschuifregeling toe te toepassen is dat sprake is van een wijziging van de tenaamstelling op het moment dat een belastingplichtige ophoudt ondernemer te zijn. Omdat de onderneming op 1 juli 2012 is overgedragen en de tenaamstelling pas op 26 maart 2013 is gewijzigd, wordt vanaf 1 juli 2012 niet meer aan de voorwaarden voor de vrijstelling voldaan. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. De boete wordt wel vernietigd.
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 06-02-2014