Dienstbetrekking onvoldoende aannemelijk gemaakt

Voor het bestaan van een dienstbetrekking is het niet voldoende dat men een arbeidsovereenkomst kan tonen. Van belang is dat de betrekking ook daadwerkelijk voldoet aan de drie kenmerken van een dienstbetrekking, te weten de verplichting om persoonlijk arbeid te verrichten, het betalen van loon en de aanwezigheid van een gezagsverhouding.
De eigenaar van een aantal schoonmaakbedrijven sluit eind 2010 een arbeidsovereenkomst bij een ander schoonmaakbedrijf, nadat de SIOD ter bewaring van een op te leggen ontnemingsmaatregel conservatoir beslag heeft gelegd ten laste van enkele van zijn bedrijven en ten laste van hem in privé.,. Hij gaat aan de slag als accountmanager. In mei 2011 is voor de man in verband met zijn ziekmelding per 16 mei 2011, bij het UWV een Ziektewet-uitkering aangevraagd. Het UWV wijst de aanvraag af, omdat de man niet verzekerd is in de zin van de ZW. Volgens het UWV was er geen sprake van een dienstbetrekking met de werkgever, omdat het aspect gezagsverhouding tussen beiden ontbrak.
De man gaat tegen deze beslissing van het UWV in bezwaar en beroep, en de zaak beland uiteindelijk bij de Centrale Raad van Beroep. In hoger beroep komt de man met verklaringen van andere bedrijven waarmee hij namens het schoonmaakbedrijf zakelijke besprekingen heeft gevoerd, en overlegt hij loonstroken en kwitanties waaruit zou moeten blijken dat hij bij het schoonmaakbedrijf in dienstbetrekking was geweest.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake moet zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot betaling van loon. Niet alleen van belang is hoe de partijen hun rechten en verplichtingen hebben vastgelegd, maar ook hoe ze daaraan uitvoering hebben gegeven. Volgens de Centrale Raad van Beroep blijkt uit de gedingstukken dat het UWV voldoende reden had om te twijfelen aan de kwalificatie van de tussen de man en het schoonmaakbedrijf gesloten overeenkomst. Bij vergelijking van de overgelegde loonstroken blijkt dat vele verschillen bestaan die onder meer zien op niet-overeenkomende loonheffingennummers, verschillend gehanteerde loonheffingspercentages en verschillend gehanteerde bruto uurlonen en minimumlonen. Voorst blijkt volgens het UWV dat de werkgever zelf contact heeft gezocht met de man met de bedoeling een aantal contracten van de man bij het bedrijf onder te brengen. Veeleer lijkt sprake van de situatie dat de man tegen betaling contracten van zijn eigen bedrijven probeerde over te hevelen naar de nieuwe ‘werkgever’. Ook uit de verklaringen van de zakenrelaties valt niet op te maken dat er sprake was van een gezagsverhouding en dat het schoonmaakbedrijf werkinstructies kon geven aan de man, of dat er sprake was van toezicht of controle daarop. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dan ook dat aan de overgelegde arbeidsovereenkomst niet die betekenis kan worden toegekend die de man daaraan gehecht wil zien. Het UWV had de ZW-uitkering terecht geweigerd.
De man probeert het vervolgens nog bij de Hoge Raad, maar die doet de zaak zonder nadere motivering af.
Bron: HR 14-03-2014