Deel OZB mag naar ondernemersfonds

Een gemeente mag met een verhoging van de OZB-tarieven een faciliterende rol vervullen ten behoeve van door een ondernemersfonds na te streven doelen.
Een ondernemer bezit een woon-winkelpand in Meppel. Aan hem wordt over 2012 een aanslag OZB opgelegd van € 1.868,68. In het tarief voor eigenaren en gebruikers van niet-woningen is een opslag begrepen waarvan de opbrengst is bedoeld voor het ondernemersfonds dat wordt beheerd door de Stichting Ondernemersfonds Meppel. De gelden worden door het ondernemersfonds gebruikt voor algemene doelen in het belang van alle inwoners van de gemeente, zoals de aanleg van glasvezel en de organisatie van sinterklaasvieringen en daarnaast specifiek voor doeleinden in het belang van ondernemers. De ondernemer is het niet met de opslag eens en stapt naar de rechter.
De ondernemer vindt dat het deel van de OZB voor financiering van het ondernemersfonds leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Volgens hem leidt de wijze waarop het tarief is vastgesteld tot discriminatie tussen ondernemers. Er wordt namelijk niet geheven van alle ondernemers binnen de gemeente. Ondernemers die geen eigenaar zijn van een niet-woning en ook geen niet-woning huren en hun onderneming vanuit hun woonhuis uitoefenen, worden niet betrokken in de extra heffing ten behoeve van het ondernemersfonds. Daarnaast betalen ondernemers die een duurdere niet-woning bezitten of gebruiken relatief gezien meer aan het ondernemersfonds, dan zij die een minder duur pand bezitten of gebruiken.
Gemeenten mogen op grond van de Gemeentewet OZB heffen van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken. Volgens de rechtbank is de tariefstelling een zelfstandige bevoegdheid van de gemeenteraad. De tarieven zijn vastgesteld rekening houdende met wettelijk bepalingen en de aanslag is in overeenstemming met de tarieven opgelegd. Volgens de rechtbank is de verhoging van de tarieven niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat de Verordening niet onverbindend is. Volgens de rechtbank is er geen sprake van discriminatie van ondernemers. Er is geen sprake van gelijke gevallen als ondernemers in of vanuit een niet-woning een onderneming drijven en ondernemers die vanuit een woning een onderneming drijven. Daarmee is sprake van ongelijke gevallen die ongelijk worden behandeld naar de mate waarin zij verschillen.
De ondernemer is het met name niet eens met de besteding van de opbrengsten. Volgens de rechtbank mag de gemeente de belastingopbrengst van een in een bepaald gebied geheven (algemene) belasting binnen dat gebied aanwenden ter bekostiging van bepaalde doelen. Vraag is of de door de formele wetgever in de Gemeentewet aan de gemeenteraad gegeven bevoegdheid zo ver reikt dat een gemeente weliswaar in formele zin belasting heft maar in wezen slechts als kassier optreedt van een private partij om louter in de financieringsbehoefte van die partij te voorzien. Deze vraag hoeft echter niet te worden beantwoord omdat het ondernemersfonds, naast de gemeenschappelijke belangen van ondernemers, ook de algemene belangen dient door de financiering van onder meer de sinterklaasintocht en de aanleg van glasvezel. Ook de verhoging van de tarieven is niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat dat de Verordening niet onverbindend is. De gemeente wordt in het gelijk gesteld.
Bron: Rb. Noord-Nederland 29-04-2014