Cliëntennieuwsbrief

In dit nummer onder andere:

– Geen herwaarderingswinst meer bij inbreng in cv

– VAR uit 2014 ook volgend jaar geldig

– Ruime regels voor fiscale eenheid

– Duidelijkheid over btw tijdens leegstand

– De werkkostenregeling verplicht per 2015

– Premiekorting voor jongere werknemer

De ondernemer en de dga

VAR uit 2014 ook nog geldig in 2015

Het ministerie van Financiën werkt momenteel aan een nieuwe systematiek voor de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Het is de bedoeling dat er op 1 januari 2015 een webmodule wordt ingevoerd, waarop de opdrachtnemer en opdrachtgever gezamenlijk de VAR aanvragen. De opdrachtgever wordt daarmee medeverantwoordelijk voor de juistheid van de aanvraag. Dit wil de staatssecretaris binnenkort in de wet vastleggen. Vooruitlopend hierop is besloten dat de huidige VAR-houders geen verzoeken voor het jaar 2015 hoeven te doen. De VAR’s die voor het kalenderjaar 2014 zijn afgegeven kunnen ook in de eerste maanden van het kalenderjaar 2015 worden gebruikt. De precieze termijn van de verlengde geldigheidsduur van de voor 2014 afgegeven VAR’s is afhankelijk van de besluitvorming over het wetsvoorstel.

Er komt geen winstbox

De staatssecretaris van Financiën liet onlangs weten dat er geen aparte ‘winstbox’ wordt ingevoerd. Eind 2012 gaf het Kabinet Rutte II in het regeerakkoord aan met het idee van een aparte box voor winst uit onderneming aan de slag te gaan, maar de beoogde verlaging van administratieve lasten lijkt niet haalbaar. Bovendien is over de economische effecten geen duidelijkheid te verkrijgen. Omdat de voordelen nog ongewis zijn en de nadelen al wel concreet, ziet het kabinet af van verdere uitwerking en invoering van de winstbox.

Niet altijd herwaarderingswinst bij inbreng in cv

Onlangs deed de Hoge Raad een belangrijke uitspraak. Het gaat om de situatie van inbreng in een cv of vof, waarbij de inbreng op de openingsbalans van de vennootschap op de werkelijke waarde wordt gesteld. Als er bij een ingebracht vermogensbestanddeel een waardeverschil bestaat tussen de werkelijke waarde (waarde in het economische verkeer) en de fiscale boekwaarde, ontstond er tot nu toe een ‘herwaarderingswinst’ bij de inbrenger. Tot het recente arrest moest deze herwaarderingswinst verplicht tot de winst worden gerekend. Maar onlangs kwam de hoogste rechter terug van dit oordeel, dat stamde uit 1959. Voor zover de inbrenger nog een belang houdt bij het ingebrachte vermogensbestanddeel, hoeft er geen winst in aanmerking te worden genomen in het jaar van inbreng. De inbrenger realiseert op dat moment geen meerwaarde, oordeelde de Hoge Raad.

Let op!

Als u te maken krijgt met inbreng van vermogensbestanddelen in een cv of vof, hebt u voortaan de keuze of u wilt afrekenen over de eventuele herwaarderingswinst. Zo kan het bijvoorbeeld bij dreigende verliesverdamping juist raadzaam zijn om te herwaarderen en winst te nemen. Wij kunnen u bij deze keuze van dienst zijn.

Geen voorziening bij toepassing globalisatieregeling

De Hoge Raad oordeelde in een recente zaak dat goed koopmansgebruik niet toestaat dat een ondernemer in de inkomstenbelasting een voorziening vormt voor de toepassing van de globalisatieregeling in de btw. Bij toepassing van de globalisatieregeling wordt de omzetbelasting berekend over de winstmarge. Ten opzichte van de btw die zou moeten worden afgedragen over de geïndividualiseerde winstmarge van een geleverd goed, kan er dan een tijdelijk voordeel worden behaald als het gaat om in de toekomst af te dragen btw. Dat voordeel ontstaat wanneer in een bepaald tijdvak sprake is van relatief lage verkopen en/of hoge inkopen. In een tijdvak waarin sprake is van relatief hoge verkopen en/of lage inkopen, ontstaat juist een nadeel. Uitgaven in verband met de in de toekomst af te dragen omzetbelasting, vinden hun oorsprong volgens de Hoge Raad in toekomstige verkopen. Er wordt dan niet voldaan aan de oorsprongseis om een voorziening te vormen op de balans. Een voorziening is immers alleen te vormen als het gaat om toekomstige uitgaven die:

 1. hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaand aan de balansdatum hebben voorgedaan (oorsprongeis) en;

 2. de uitgaven ook aan die periode kunnen worden toegerekend (toerekeningseis) en;

 3. er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de uitgaven zich zullen voordoen (zekerheidseis).

Het gebruikelijk loon van de dga

In de vorige nieuwsbrief kon u lezen over de hofuitspraak dat de afroommethode niet mag worden toegepast wanneer er naast de dga nog andere werknemers in dienst van de vennootschap werkzaam zijn. In zo’n geval kan namelijk niet worden aangenomen dat de opbrengsten van die vennootschap helemaal voortkomen uit de arbeid die de directeur verricht. De staatssecretaris heeft onlangs aangeven dat hij zich in deze blokkering van de afroommethode kan vinden. Ook met de verwerping van de alternatieve winstreductiemethode is hij het eens. Dit is alleen mogelijk met andere gegevens dan de opbrengsten van de bv, en die werden in deze zaak niet aangedragen. De staatssecretaris gaat dan ook niet in cassatieberoep bij de Hoge Raad.

 

Vennootschapsbelasting

Nederlands fiscale-eenheidsregime discrimineert

Het Hof van Justitie van de EU gaf onlangs een oordeel over verschillende situaties die waren voorgelegd met betrekking tot de fiscale eenheid. De vraag was of de Nederlandse fiscus fiscale eenheden voor de vennootschapsbelasting moest toestaan in de volgende gevallen:

1. Een in Nederland gevestigde moedermaatschappij wilde met haar in Nederland gevestigde kleindochtervennootschappen een fiscale eenheid vormen. De tussenhoudster was gevestigd in Duitsland en had in Nederland geen vaste inrichting.

2. Twee in Nederland gevestigde zustervennootschappen wilden een fiscale eenheid vormen. De moedervennootschap was in Duitsland gevestigd en had geen vaste inrichting in Nederland.

Volgens de huidige Nederlandse regeling is een fiscale eenheid in deze gevallen niet mogelijk. Het Hof van Justitie besliste onlangs dat deze regeling in strijd is met de vrijheid van vestiging. Er is nu een verschil in behandeling als het gaat om een geheel Nederlandse situatie of een situatie waarin een van de ondernemingen in een andere lidstaat is gevestigd. Voor dit verschil is volgens het Hof geen rechtvaardiging aan de orde. Nederland moet dus fiscale eenheden tussen vennootschappen die in Nederland zijn gevestigd toestaan. Ook als de verbindende vennootschap in een andere EU-lidstaat is gevestigd.

Wilt u meer weten over de mogelijke gevolgen die deze uitspraak heeft, neem dan contact met ons op.

Harde aanpak handel in hir-lichamen

Als de verwerving van een bedrijfsmiddel deel uitmaakt van een samenstel van rechtshandelingen dat bedoeld is om het uiteindelijke belang in de vennootschap te wijzigen, moet de herinvesteringsreserve in de winst vrijvallen. Dit is geregeld in artikel 12a Wet Vpb. Er worden echter nog steeds op grote schaal structuren opgezet om deze antimisbruikbepaling te ontlopen.

De Hoge Raad heeft in acht verschillende zaken uitspraak gedaan over diverse vragen rondom de toepassing van deze antimisbruikbepaling. De rechter merkte onder andere op dat deze antimisbruikbepaling ook van toepassing kan zijn als vervreemding van het bedrijfsmiddel en herinvestering plaatsvinden in hetzelfde jaar. Verder oordeelde de Hoge Raad ook dat toepassing van de ruilarresten niet mogelijk is als een herinvesteringsreserve kan worden gevormd. Een belastingplichtige kan namelijk niet kiezen tussen de wettelijke faciliteit en toepassing van de ruilarresten.

BTW

Kortingskaart verkopen? Btw-belast

De verkoop van een kortingskaart is een btw-belaste handeling, volgens het Hof van Justitie van de EU. Kern van de vraag van Gerechtshof Den Bosch aan het Hof van Justitie was of de kortingskaart viel onder het ‘andere handelspapieren’, waarvoor een btw-vrijstelling geldt. Het Hof oordeelde dat dit niet het geval is. De kaart in kwestie vertegenwoordigde geen eigendomsrecht in de uitgevende vennootschap of een schuldvordering tegenover deze vennootschap. De kaart was ook geen betaalmiddel en was bij de aangesloten bedrijven niet inwisselbaar voor geld of producten; hij gaf slechts recht op een korting. Geen btw-vrijstelling dus.

Duidelijkheid over btw tijdens leegstand

Onlangs verscheen een arrest van de Hoge Raad dat tot opluchting heeft geleid in de vastgoedwereld. De uitspraak geeft namelijk meer zekerheid over de vraag of de methodiek van belaste verhuur kan worden gehandhaafd in een periode van leegstand. Het ging hier om een eigenaar die een pand gedurende een aantal jaren vrijgesteld verhuurde en daar ook herzienings-btw voor betaalde. Na het beëindigen van de vrijgestelde verhuur had de eigenaar het voornemen om het pand belast te gaan verhuren en meende daarom toch weer in aanmerking te komen voor aftrek van de aankoop-btw. Vanwege dit (bewezen) voornemen mocht er volgens de Hoge Raad van worden uitgegaan dat vanaf het tijdstip van de beëindiging van de vrijgestelde verhuur sprake was van (voorgenomen) gebruik voor belaste handelingen. En dus herleefde het recht op aftrek op dat moment.

Let op!

Hebt u te maken met pand dat na eerdere vrijgestelde verhuur nu leegstaat? Als u het voornemen heeft om het pand btw-belast te verhuren, komt u ook tijdens de leegstand in aanmerking voor btw-aftrek. Het is dan wel belangrijk dat u kunt aantonen dat u ook echt dit voornemen heeft. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de verhuuraanbieding.

Faillissement afnemer geen reden voor teruggaaf btw

Als een ondernemer ten onrechte btw factureert aan zijn afnemer en deze vervolgens failliet gaat, heeft de ondernemer een probleem. Hij is dan volgens Hof Den Bosch verplicht de btw af te dragen. Hij kan echter geen teruggaaf van btw aanvragen vanwege het faillissement van de afnemer. Het ging in deze zaak om een ondernemer die ten onrechte btw had gefactureerd die de fiscus wilde naheffen. De bv stelde dat de na te heffen btw was te verrekenen met een recht op teruggaaf van btw. De schuldenaar was namelijk failliet gegaan en zou de factuur niet meer betalen. Maar de mogelijkheid voor teruggaaf van btw ziet alleen op de btw bij leveringen en diensten. En de naheffing in deze zaak kwam uitsluitend voort uit btw die ten onrechte was gefactureerd. De bv kon dus in dit geval de af te dragen btw niet verrekenen met een btw-teruggaaf vanwege het niet-betalen van de afnemer.

Familievermogensrecht

Bedrijfopvolgingsregeling in de successiewet

Een onderwerp dat de gemoederen blijft bezighouden is de houdbaarheid van de bedrijfsopvolgingsregeling in de successiewet. Na onze Hoge Raad heeft nu ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geoordeeld dat het onderscheid tussen het belasten van ondernemingsvermogen en privévermogen geen disproportionele maatregel is en dus mag bestaan. De procedure bij het EHRM was aangespannen door de zoon van een man die in juli 2009 was overleden. Zijn verzoek om toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit wees de inspecteur af, omdat zijn erfenis geen ondernemingsvermogen vormde. Hij kwam terecht bij het EHRM. Volgens de rechter heeft het onderscheid tussen de fiscale behandeling van ondernemingsvermogen en privévermogen een legitiem doel. Dit werd gebaseerd op de uitgebreide analyse van de Hoge Raad over de wetsgeschiedenis van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. De keuze die de wetgever maakte voor het onderscheid was niet onredelijk. Het ERHM gaf de erfgenamen daarom geen gelijk.

Box 3-heffing over buitenlandse beleggingen

Met een forfaitaire rendementsheffing over participaties in buitenlandse beleggingsfondsen, blijft Nederland binnen zijn heffingsbevoegdheid. Dat oordeelde de Hoge Raad. Ook als er geen dividend daadwerkelijk is uitgekeerd heeft Nederland het recht om forfaitair belasting te heffen. De Hoge Raad legde hiervoor het begrip ‘betaald’ zoals opgenomen in het dividendartikel van het belastingverdrag uit naar nationaal recht. Als bepaalde inkomsten naar hun aard aan Nederland ter heffing zijn toegewezen, laten de verdragen de ruimte om die inkomsten te belasten volgens de Nederlandse wettelijke bepalingen. Er is dan ook ruimte voor het toepassen van forfaits en ficties. Het dividend hoeft dus niet perse écht betaald te zijn om erover te kunnen heffen. Nederland mag alleen niet door gebruik van forfaits en ficties een verschuiving in de verdeling van de heffingsbevoegdheid realiseren waardoor Nederland heffingsbevoegd zou worden, terwijl dat anders niet zo zou zijn. Maar daarvan was hier volgens de Hoge Raad geen sprake.

Loonheffingen en sociale verzekeringen

Bereid u voor op de werkkostenregeling

Bent u nog niet overgestapt op de werkkostenregeling (WKR)? Dan zal dit voor 1 januari 2015 toch echt moeten gebeuren. Vanaf dat moment is de WKR verplichte kost voor iedere werkgever. Er worden voor die tijd nog een aantal wijzigingen in de regeling doorgevoerd. De budgettaire ruimte voor deze aanpassingen komt uit de verlaging van de vrije ruimte van 1,5% naar 1,2%. De eerste aanpassing ziet erop dat de werkgever niet langer rekening hoeft te houden met het privévoordeel dat de werknemer geniet van gereedschappen, computers en mobiele communicatieapparatuur. Voor de WKR worden deze als noodzakelijk voor de bedrijfsvoering geacht en het privégebruik wordt niet belast. Zo wordt er ook een einde gemaakt aan het fiscale onderscheid tussen de portable computer, tablets en smartphones.

Een andere wijziging zorgt ervoor dat de WKR overgaat op een jaarlijks afrekensysteem. De inhoudingsplichtige hoeft maar één keer per jaar met betrekking tot alle vergoedingen en verstrekkingen te toetsen of de vrije ruimte wordt overschreden. De eventueel verschuldigde belasting wordt in het eerste aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar afgedragen. Voor concerns wordt de WKR eenvoudiger gemaakt. Met de introductie van de zogenoemde concernregeling wordt namelijk een collectieve generieke vrije ruimte in de WKR gecreëerd. Zo hoeft er binnen concernverhoudingen niet langer een splitsing te worden gemaakt tussen vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers van verschillende concernonderdelen.

Een vierde aanpassing is dat de bestaande regeling voor branche eigen producten wordt omgevormd tot een gerichte vrijstelling. Voor een aantal werkplek gerelateerde voorzieningen waarvoor nu een nihilwaardering geldt, komt een nieuwe gerichte vrijstelling in de plaats. In deze gerichte vrijstelling worden de ter beschikking gestelde, verstrekte en vergoede voorzieningen opgenomen. Het onderscheid wordt dus losgelaten.

Let op!

Het nieuwe, jaarlijkse afrekensysteem binnen de werkkostenregeling betekent niet dat u pas na afloop van het jaar vergoedingen of verstrekkingen al dan niet kunt toewijzen aan de vrije ruimte. De keuze hiervoor moet u vooraf maken. Het is raadzaam om zo snel mogelijk met de voorbereidingen voor de overgang naar de werkkostenregeling te beginnen.  

Laat premiekorting jongere werknemers niet liggen

Werkgevers kunnen een premiekorting toepassen bij het in dienst nemen van een jonge uitkeringsgerechtigde. Vanaf 1 juli jl. kan de premiekorting worden aangegeven in de loonaangifte. Het gaat om een tijdelijke regeling, die gericht is op nieuwe banen in de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2016. Een werkgever kan in deze periode voor elke aanname en zolang de betreffende jongere in dienst is, maximaal twee jaar een premiekorting van € 3.500 op jaarbasis op zijn premies werknemersverzekeringen toepassen. Het moet dan gaan om een werknemer van 18 tot 27 jaar die:

Voor werknemers die op of na 1 januari 2014 maar vóór 1 juli 2014 in dienst zijn gekomen, komt de werkgever alleen in aanmerking voor de premiekorting jongere werknemers als deze werknemer op 1 juli 2014 nog in dienst is (en verder aan de voorwaarden voldoet). In 2014 kan de werkgever maximaal € 1.750 (voor de periode 1 juli tot en met 31 december 2014) per werknemer aan korting toepassen.

Vergeet niet te controleren of u de premiekorting kan toepassen.

Lage sectorpremie toepassen? Zet arbeidscontract op schrift

In verschillende sectoren met een hoog werkeloosheidsrisico (bouw, agrarisch, horeca) geldt zowel een laag als hoog sectorpremiepercentage. Het hoge percentage is een werkgever verschuldigd bij arbeidsovereenkomsten van korter dan 1 jaar. Wil hij bij overeenkomsten van ten minste een jaar of voor onbepaalde tijd het lage percentage toepassen, dan is vereist dat dit contract schriftelijk is afgesloten. Dit werd onlangs ook bevestigd door de Hoge Raad. Het is niet mogelijk om op een andere wijze aan te tonen dat werknemers langer dan een jaar in dienst zijn, als de arbeidsovereenkomst niet op schrift staat.

Let op!

Krijgt de werknemer voor wie u de lage sectorpremie toepast binnen één jaar nadat hij in dienst is getreden recht op een WW-uitkering? Dan moet u met terugwerkende kracht tot het begin van de dienstbetrekking alsnog het hoge premiepercentage betalen. Waarom de werknemer recht krijgt op de WW-uitkering, is irrelevant.

Auto

Eigen bijdrage niet automatisch aftrekbaar

Een werknemer die een eigen bijdrage betaalt aan zijn werkgever voor het privégebruik van een auto van de zaak, mag hij deze bijdrage niet in alle gevallen aftrekken in de inkomstenbelasting. Als hij de auto niet privé rijdt, is de eigen bijdrage dan ook niet aftrekbaar. Hof Arnhem-Leeuwarden gaf aan dat het wettelijke systeem zo werkt dat aftrek van een eigen bijdrage voor het privégebruik van een leaseauto alleen mogelijk is, als er ook een bijtelling voor dat privégebruik in aanmerking wordt genomen. Als een werknemer helemaal niet privé rijdt en geen bijtelling heeft, kan hij zij de eigen bijdrage niet aftrekken. De stelling van de werknemer dat sprake was van discriminatie en schending van het gelijkheidsbeginsel, mocht niet baten. De werknemer verkeert immers in een andere situatie dan zijn collega’s die de bedrijfsauto wel voor privédoeleinden gebruiken en een bijtelling hebben.

Toekomstvoorzieningen

Fiscale hervorming pensioenopbouw gaat verder

Onlangs is de Eerste Kamer akkoord gegaan met de fiscale hervorming van de pensioenen. De veranderingen bij de pensioenopbouw treden op 1 januari 2015 in werking. Er geldt dan een opbouwpercentage van 1,875% (voor pensioen op basis van middelloon). Hiermee kan in 40 jaar werken een pensioen worden opgebouwd van 75% van het gemiddelde inkomen. Diverse ingebouwde waarborgen zorgen ervoor dat de lagere pensioenopbouw doorwerkt in een daling van de pensioenpremie. Daarnaast blijft de voorgestelde aftopping van het pensioengevend inkomen ongewijzigd op € 100.000 in 2015. Voor mensen met inkomens die daarboven liggen, wordt het mogelijk om op vrijwillige basis fiscaal vriendelijk bij te sparen uit het nettoloon.

Wilt u meer weten over de ontwikkelingen op pensioengebied? Informeer ernaar bij ons.

Eigen woning

Gemeente mag ozb-tarief zelf bepalen

Een recente uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant bevestigt maar weer eens dat iedere gemeente zelf de hoogte van de tarieven voor de onroerendezaakbelastingen (ozb) mag bepalen. Een beroep tegen het ozb-tarief heeft dus alleen kans van slagen als men aannemelijk kan maken dat de tariefstelling of tariefstijging leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing. De zaak voor de rechtbank was aangespannen door de eigenaar van een eigen woning in verband met de ozb-aanslag over 2013. Het bleek dat de gemeente Gemert-Bakel haar ozb-tarief had verhoogd met 89% ten opzichte van 2012. De raad van de gemeente had destijds voor een hoge tariefstijging gekozen met het oog op de benarde financiële situatie van de gemeente. De woningeigenaar stelde dat de verhoging van de onroerendezaakbelastingtarieven in 2013 in strijd was met de wet. De rechtbank zag echter geen reden om de aanslag te vernietigen en concludeerde dat de verhoging van het ozb-tarief niet leidde tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing.

Denkt u aan schenken voor de eigen woning? Doe het nu!

Wist u dat u dit jaar tot € 100.000 belastingvrij kan schenken voor de eigen woning? Deze vrijstelling is niet nieuw, maar kent tot en met 31 december 2014 verruimde voorwaarden. Naast een bijna verdubbeling van het vrijgestelde bedrag, is de relatie tussen schenker en verkrijger losgelaten. Dus (groot)ouders kunnen schenken aan hun (klein)kinderen, ooms en tantes aan neven en nichten, maar bijvoorbeeld ook aan vrienden of buren. Ook de leeftijd van de ontvanger is niet van belang. Wel moet de schenking voor de eigen woning worden gebruikt. Op de vrijstelling kan alleen een beroep worden gedaan als een woning wordt geschonken of het geschonken bedrag wordt gebruikt voor één van de volgende doeleinden:

Onlangs liet de staatssecretaris van Financiën weten dat de Belastingdienst tot nu toe circa 50.000 aangiften heeft ontvangen die betrekking hebben op de tijdelijk verruimde vrijstelling. Informatie over de omvang van de geschonken bedragen zal na verwerking in de loop van 2015 beschikbaar komen.

Administratieve verplichtingen

Wettelijke rente over heffingsrente

Betaalt de fiscus heffingsrente te laat uit? Dan is hij wettelijke rente verschuldigd volgens de Hoge Raad. Op 30 september 2011 besliste de Hoge Raad al dat de Belastingdienst bij een ambtshalve vermindering van een voorlopige aanslag, heffingsrente moet vergoeden. Dit moet meteen bij de ambtshalve vermindering. De fiscus volgde dit oordeel op, maar vergoedde heffingsrente pas vanaf de datum van het arrest, 30 september 2011. En niet vanaf het moment waarop de voorlopige aanslag werd verminderd. De fiscus had dus te weinig heffingsrente vergoed. Dit moest nu alsnog gebeuren, zo oordeelde Hoge Raad. En bovendien moest de Belastingdienst wettelijke rente vergoeden over deze te laat betaalde heffingsrente. Overigens heeft de belastingrente sinds 1 januari 2013 de heffingsrente vervangen.

Verbazing bewees dat fout kenbaar was

Stel dat de inspecteur uw aangifte onverwachts volgt. Moet u dit dan gewoon accepteren of toch navraag doen waarom hij geen correctie toepast? Een recente uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden lijkt te bevestigen dat het voordelig kan zijn geen slapende honden wakker te maken. De zaak was als volgt. Een man had in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2008 een hoger bedrag opgegeven aan eigenwoningschuld dan normaal. Hij kon tegenover de Belastingdienst niet aannemelijk maken dat hij werkelijk extra kosten had gemaakt voor verbetering en onderhoud van zijn woning. De fiscus weigerde daarom de aftrek van de rente over de verhoging van de schuld. De man gaf in zijn aangiften over de jaren 2009 en 2010 opnieuw het verhoogde bedrag op als eigenwoningschuld. Dit keer werd de aangifte wel geaccepteerd. De man nam contact op met de Belastingdienst en liet zijn verbazing blijken over de acceptatie van zijn aangifte. Enige tijd later kreeg hij navorderingsaanslagen over de jaren 2009 en 2010. De fiscus was daarbij weer uitgegaan van het normale bedrag aan eigenwoningschuld.

De man ging in beroep tegen de navorderingsaanslagen. Uiteindelijk ging het om de vraag of sprake was van een kenbare fout waardoor de aanslag in eerste instantie was vastgesteld op een te laag bedrag. De oorzaak was dat de desbetreffende belastingambtenaar een verkeerd keuzebalkje had aangeklikt in het systeem. Deze fout was volgens het hof ook kenbaar voor de man. In zijn communicatie met de fiscus had hij immers zijn verbazing getoond over de acceptatie van zijn aangifte. De navorderingsaanslagen bleven dan ook in stand.