Cao-afspraken zzp-tarieven: alleen bij schijnzelfstandigheid

In antwoord op vragen van de Kamerleden Van Weyenberg en Verhoeven (D66) en de Kamerleden Mulder en Ziengs (VVD) geeft minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan dat cao-afspraken over de tarieven van zzp’ers kunnen, mits ze betrekking hebben op schijnzelfstandigen. Is er sprake van ondernemerschap, dan is er mogelijk sprake van een schending van het kartelverbod waarvoor de ACM een boete kan opleggen.
Aanleiding voor de Kamervragen waren de afspraken over minimumtarieven voor zzp’ers in de cao voor Architectenbureaus. In deze cao is afgesproken dat architectenbureaus als opdrachtgever binnen Nederland werkzame zelfstandig professionals die in opdracht van het architectenbureau werkzaamheden verrichten, honoreren conform de functies zoals beschreven in het handboek functie-indeling architectenbureaus op een niveau dat vergelijkbaar is met de daarmee corresponderende loonschalen. Of het hierbij gaat om schijnzelfstandigen of niet blijkt niet uit de cao-afspraak. Op zich is het op grond van de Wet Cao mogelijk om in een cao ook afspraken te maken die betrekking hebben op overeenkomsten van opdracht en op aannemingen van werk. Voor dergelijke afspraken is het juridisch niet nodig dat die afspraken namens de zzp’ers zijn gemaakt en/of dat deze zzp’ers lid zijn van bij de cao betrokken sociale partners.
Volgens de minister zullen cao-bepalingen die zien op zzp’ers die kwalificeren als ondernemer in de zin van het mededingingsrecht en waarin tarieven worden afgesproken, hoogstwaarschijnlijk onder het kartelverbod uit de Mededingingswet vallen. Is dat het geval dan is die bepaling in de cao nietig en kan de ACM een boete opleggen aan de partijen die de mededinging beperkende afspraak hebben gemaakt. Is er echter sprake van schijnzelfstandigheid, dan is er geen sprake van ondernemers volgens het mededingingsrecht. Cao-afspraken over de honorering van schijnzelfstandigen vallen niet onder het kartelverbod. Dit blijkt volgens de minister ook uit het arrest van 4 december 2014 van het EH Hof van Justitie over orkestremplaçanten.
De ACM zal beoordelen of er sprake is van een onderneming in de zin van art. 101 VWEU en de Mededingingswet. Overigens, de vraag of er sprake is van (schijn)zelfstandigheid in de zin van de mededingingsregels laat volgens de minister onverlet dat er sprake kan zijn van schijnzelfstandigheid in de zin van het privaatrecht of fiscaal recht. Het bestaan van de cao-afspraken over de minimumtarieven speelt echter geen rol in de beoordeling van de arbeidsrelatie door de Belastingdienst en is ook niet van invloed op het recht van de zzp’er op de ondernemingsfaciliteiten in de IB.
Bron: Min SZW 7-12-2015