Boetes voor tewerkstelling Bulgaarse werknemers terecht

Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn terecht boetes opgelegd aan tien verschillende bedrijven in de bouw- en vastgoedsector, bij wie Bulgaarse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning te werk waren gesteld.
Toen de boetes waren opgelegd gold er voor werknemers uit Bulgarije nog een overgangsregeling (zoals nu nog voor werknemers uit Kroatiƫ van toepassing is). Een tewerkstellingsvergunning was verplicht, wel hadden ze voorrang ten opzichte van werknemers uit andere niet-EU-landen (zgn. derdelanders). Omdat in 2014 de Afdeling bestuursrechtspraak had geoordeeld dat voor Japanse werknemers geen vergunning nodig is, meende de bedrijven dat ook voor Bulgaarse werknemers geen vergunning nodig is. Op grond van een oud verdrag waarin een meestbegunstigde-clausule was opgenomen, oordeelde de Afdeling bestuursrecht dat voor Japanse werknemers dezelfde rechten gelden die werknemers uit Zwitserland hebben op grond van een nog ouder verdrag. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft aan dat die vlieger voor de Bulgaarse werknemers niet opging: voorrang is iets anders dan meestbegunstigde.
Bron: RvS 4-11-2015