BIZ-heffing: alleen als is voldaan aan de dwingende voorwaarden

Indien in een uitvoeringsovereenkomst BIZ-bijdrage tussen de gemeente en het uitvoerende orgaan dwingend wordt voorgeschreven dat per jaar een begroting en een activiteitenplan moeten worden overlegd, dan komt een aanslag BIZ-heffing in aanmerking voor vernietiging als in een bepaald jaar niet aan die vereisten wordt voldaan.
In een gemeentelijke verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor een BI-zone is onder meer bepaald dat onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ een directe belasting wordt geheven ter bestrijding van de kosten, die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone. Deze belasting wordt gedurende een periode van 5 jaar jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. In een uitvoeringsovereenkomst tussen de gemeente en de stichting die verantwoordelijk is voor de uitvoering, wordt onder meer bepaald dat dat de stichting ten behoeve van de subsidie jaarlijks een begroting en een activiteitenplan indient voor het betreffende gebied. Volgens een winkelierster in de aangewezen BI-zone is voor het jaar 2015 ten onrechte een aanslag BIZ-bijdrage 2015 aan haar opgelegd. De BIZ-bijdrage is in strijd met het bepaalde in de wet, de verordening en de uitvoeringsovereenkomst omdat geen concreet activiteitenplan is ingediend.
Volgens de rechtbank gaat de wet ervan uit dat tussen de gemeente en de stichting een uitvoeringsovereenkomst wordt gesloten waarin dwingend is vastgelegd welke activiteiten moeten worden verricht waarvoor de uit de BIZ-bijdragen gevormde subsidie moet worden aangewend (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3425, r.o. 2.3.1). De stichting heeft wel een begroting overlegd, maar niet gebleken is dat een activiteitenplan 2015 is opgesteld en ingediend. Door geen activiteitenplan voor 2015 in te dienen heeft de stichting niet gehandeld conform de dwingende voorwaarden in de uitvoeringsovereenkomst. Alleen daarom al bestaat er volgens de rechtbank geen wettelijke grondslag voor het heffen van een BIZ-bijdrage. Het argument dat activiteiten volgen uit de begroting en de activiteiten jaarlijks worden vermeld op een relevante internetsite, is niet voldoende. De wijze van presenteren van de activiteiten, is naar het oordeel van de rechtbank, in samenhang met de voor 2015 door de stichting ingediende begroting, onvoldoende concreet en inzichtelijk en daarmee onvoldoende toetsbaar en afdwingbaar. In de uitvoeringsovereenkomst is immers specifiek bepaald dat naast een begroting jaarlijks ook een activiteitenplan moet worden ingediend. Dat de gemeente genoegen neemt met deze werkwijze is ook niet voldoende. De aanslag BIZ-heffing wordt vernietigd.
Bron: Rb. Den Haag 5-04-2016