Angst voor onrust onvoldoende voor geheimhouding

De SER-commissie Bevordering Medezeggenschap vindt dat bestuurders terughoudend moeten zijn bij het opleggen van een geheimhoudingsplicht aan de ondernemingsraad. ‘Angst voor onrust’ is volgens de commissie een onvoldoende argument.
De SER-commissie Bevordering Medezeggenschap (CBM) heeft aanbevelingen opgesteld voor bestuurders en OR-leden over het omgaan met de geheimhoudingsplicht. Voor een geheimhouding kunnen goede redenen zijn, maar het belemmert ook de OR bij het contact met de achterban.
De CBM onderscheidt drie categorieën gegevens die onder de geheimhoudingsplicht vallen:

zaken- en bedrijfsgeheimen (passieve geheimhouding);
informatie ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd (actieve geheimhouding) en
gegevens waarvan men in verband met een opgelegde geheimhoudingsverplichting heeft moeten begrijpen dat deze een vertrouwelijk karakter hebben (passieve geheimhouding voortvloeiend uit actieve geheimhouding).

Volgens de CBM moeten bestuurders terughoudend gebruikmaken van het actief opleggen van een geheimhoudingsplicht. Bestuurders moeten goed uitleggen waarom er een plicht tot geheimhouding is over een bepaald onderwerp en daarbij het onderwerp helder afbakenen. Ook moet duidelijk worden aangegeven tot welke datum de geheimhoudingsplicht geldt. Alleen ‘angst voor onrust’ is volgens de CBM onvoldoende argument voor geheimhouding, zeker als de gevolgen voor de werknemers aanzienlijk zijn (werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden). Het tijdig delen van informatie kan onrust dan juist vaak voorkomen.
De ondernemingsraad moet zich bewust zijn van zijn positie en zich bij achterbancontact steeds afvragen of er sprake is van een passieve of een actief opgelegde geheimhoudingsplicht. De medezeggenschap is erbij gebaat dat partijen in een vroeg stadium informatie over mogelijke besluiten delen. Dan kan geheimhouding soms helpen om vertrouwelijk in alle openheid met elkaar te kunnen spreken.
Ook vindt de CBM dat de actief opgelegde geheimhoudingsverplichting de OR, in de periode direct voorafgaande aan het geven van advies of instemming, niet mag hinderen in zijn raadpleging van de achterban over onderwerpen die voor die achterban van wezenlijk belang zijn.
Bron: SER 13-11-2014