Alarmeringsdienst deelt niet in medische vrijstelling

De door een zorgverlener opgezette alarmeringsdienst deelt niet in de medische vrijstelling voor de overige door de zorgverlener verleende zorg. Volgens Rechtbank Noord-Nederland is er geen sprake van een samengestelde prestatie. Ook is de dienst op zichzelf niet aan te merken als een dienst waarvoor de medische vrijstelling van toepassing is.
Een zorgaanbieder (ouderenzorg) heeft een alarmeringsdienst opgezet en meent voor die dienst aanspraak te kunnen maken op de medische vrijstelling. Tegen de op aangifte betaalde omzetbelasting gaat de aanbieder in bezwaar. De alarmeringsdienst bestaat eruit dat cliënten in het kader van extramurale zorg een alarmcentrale kunnen bellen waar een deskundige centralist beoordeelt welke vervolgzorg er moet worden verleend. Voor de alarmeringsdienst betalen cliënten behalve eenmalige aansluitkosten maandelijks een vergoeding. Indien er daadwekelijk ter plaatse zorg wordt verleend, wordt hiervoor apart een bedrag in rekening gebracht. Bij zorgverlening langer dan een uur wordt een bedrag in rekening gebracht conform het NZA-tarief. Volgens de aanbieder is de alarmeringsdienst onlosmakelijk verbonden met de daarop volgende vrijgestelde zorg zodat ook hiervoor de medische vrijstelling van toepassing is. Mocht het oordeel zijn dat de alarmeringsdienst geen onderdeel uitmaakt van de verleende zorg, dan stelt de aanbieder dat het op zichzelf een vrijgestelde dienst is op grond van artikel 11, lid 1 letter f dan wel g van de Wet OB. De inspecteur is het hier niet mee eens: het betreft volgens hem een dienst die losstaat van de eventueel te verlenen zorg en ook als zelfstandige dienst is de medische vrijstelling op grond van artikel 11, lid 1 letter f ofl g van de Wet OB niet van toepassing.
Of er sprake is van één prestatie, waardoor de alarmeringsdienst deelt in de medische vrijstelling, is volgens de rechtbank afhankelijk van de vraag op er sprake is van één prestatie, waarbij een of meer bijkomende prestaties delen in het fiscale lot van de hoofdprestatie. Een prestatie is bijkomend als deze voor de klanten geen doel op zich is, doch een middel is om de hoofdprestatie zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Daarvan is volgens de rechtbank geen sprake. De dienstverlening van de zorgaanbieder bestaat – ook bezien vanuit de afnemer – uit meerdere elementen (alarmeringsdienst, daaropvolgende zorgverlening), waarvan niet gezegd kan worden dat het één samengestelde prestatie betreft. De alarmeringsdienst kan worden afgenomen zonder dat de afnemer ook zorg afneemt. De aangeboden dienst is dus ‘los’ verkrijgbaar.
Ook is er volgens de rechtbank voor de alarmeringsdienst op zich geen vrijstelling van toepassing omdat de alarmeringsdienst kan worden gezien als een dienst in het kader van personenalarmering waarvoor geen de btw-vrijstelling geldt. Dat de alarmcentrale bemand wordt door BIG-geregistreerde verpleegkundigen doet hier niet aan af. Meer subsidiair had de zorgverlener geëist dat dat voor de verleende alarmeringsdienst voorbelasting in aftrek kan worden gebracht. Aan die eis geeft de rechtbank wel gehoor.
Bron: Rb. Noord-Nederland 24-09-2015 (publ. 10-11-2015)